Amsterdam donderdag 25 mei 2017
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG


Een nieuwe herfst, een nieuwe Lente... door: Pim te Bokkel.

Het ontbrak ons die schone nazomeravond aan niets, ik bedoel: er was zelfs een presentator om de presentator aan te kondigen het kon niet op. Nadat Martijn den Bakker Sander Meij had aangekondigd om de avond te openen, zag ik dat Sander de ons bekende juryleden en (de soms bekende) dichters aankondigde.


Verslag opening Poezieslag 13e seizoen.
 
Het moet een fantastische aankondiging geweest zijn, want nergens in mijn aantekeningen vind ik de naam van de eerste dichter terug. Wel kan ik me herinneren dat de dichter uit Groningen kwam, dat hij voor de eerste keer op het podium stond en dichtte over een haven waar een touw naar de kade verlangde. Ergens wist ik toen dat ik, op de één of andere manier, dat touw aan die kade moest vastknopen, maar het lukte me niet om aan te meren. En terwijl het bootje in mijn gedachten van de kade dreef, dwaalde ik af om pas aan het einde van de voordracht op te merken hoe stil het in Festina was. De Groninger had een mooie voordracht weggegeven, meen ik, nu ik de regel ‘er hoest een hond op sterk water / met in zijn kielzog een regenjas’ in mijn aantekeningen teruglees.
 
Ik wilde juist zijn naam van de Groninger vragen toen de presentator vertelde dat de volgende dichter vandaag vanuit Gent naar Amsterdam was gekomen “en dat alles voor De Poëzij”. “Amai...” was het eerste wat Erika de Sterke zei, om vervolgens te bekennen dat ze ook even het Waterlooplein had bezocht. Erika is een vrouw die de kracht van haar naam uitstraalt. Iemand die je bij voorkeur met voor- en achternaam noemt, omdat de frictie tussen de namen mooi weergeeft hoe op het podium staat: met dat Sterke en toch, tegelijkertijd, die voor Hollanders zo aangename Vlaamse bescheidenheid. Erika de Sterke begon haar voordracht door, speciaal voor ons, een liefdesgedicht te lezen. En hoewel het venijn van de ironie in de staart van het gedicht zat, werden we blij van regels als “het duivelsspel van een regenbui” met “kleuren die de bolle wangen van de wolken prikkelen”.
 
Daarna kondigde Erwin zijn eerste gedicht aan. Erwin Mulder – die snelle, ons welbekende dichter. Het viel me op dat zijn gedicht niet op gang kwam. Of beter gezegd: de aankondiging kwam niet op gang. Voortdurend beloofde de dichter dat er straks een luid applaus zou klinken. Voortdurend smeekte de dichter om uitstel. “O dames en heren / mag ik even de aandacht,” zei hij. Het briljante hieraan was dat die aankondiging het eigenlijke gedicht was en dat Erwin het op zijn eigen, gedreven, enigszins in zichzelf gekeerde wijze voordroeg, waardoor er uiteindelijk een luid applaus klonk.
 
Een Jordanees, die nog niet eerder in Festina Lente was geweest, kwam binnenwandelen en droeg vervolgens, alsof het niets was, uit het blote hoofd enkele van zijn verzen voor. De verzen klonken ernstig door woorden als ‘zigeunerbloed’ en wijsheden als ‘ik heb alle boeken al gelezen / en ben nog steeds niet wijs’. Hoeveel wijsheid in die teksten school kon ik in mijn oneindige onwetendheid maar moeilijk beoordelen.
 
Wat leuk aan de voordracht van Niki Dekker was, was dat ze op heldere toon enkele gedichten voorlas die niet typisch meisjesachtig waren, maar die iets eigens hadden dat ik wel wilde geloven. Soms op het randje van het voordehandliggende, maar soms met vondsten als “uitgekleed wordt ze nagemaakt” mag Niki een welkome aanvulling in het Nederlandse landschap van de podiumpoëzie heten. Toch jammer dat ze in de tweede ronde wat belerend overkwam.
Daarna was het de beurt aan Mister Fred die met een multicultureel colbertje, en een voorkeur voor gedichten in popsongformaat, een hedendaagse versie van het Wilhelmus voordroeg. Ik noteerde de steekwoorden ‘gespeeld’ en ‘iets teveel inlevingsvermogen’, omdat zijn gebaren mijn begrip van de tekst niet ten goede kwamen. Mogelijk was het zo dat het begrijpen van de tekst mijn beoordeling van de gedichten niet ten goede kwam, maar dat had ik dan graag zelf ervaren.
 
De voorlaatste dichter was Jurgen Smit – als oude bekende een trouwe kanshebber voor een finaleplaats. Jurgen beklom het podium met een stapel versgeschreven gedichten en zei dingen als als “er liggen gamba’s op de fruitschaal”. Hij eindigde zijn ronde met de simpelweg ALLES relativerende opmerking “een mens heeft soms gewoon zijn decennium niet.”
De laatste dichter van de eerste ronde kreeg de zaal stil. Met abstracte wijsheden over “een ego dat alleen zichzelf maar horen kan” was ik vooral geneigd de sfeer in het café te vergelijken met de stemming die je aantreft in de wachtkamer van tandarts, huisarts of begrafenisondernemer: het publiek werd op een onaangename manier in het ongewisse gelaten. Hoopvoller was wellicht de zin “wat niet tot stand kwam / kan altijd nog komen”, maar gevoelsmatig duurde het optreden va de laatste dichter langer dan dat van de anderen.
 
In de pauze droegen de presentator en de presentator van de presentator samen een gedicht op aan de eigenaar van het café. “Begroeten bij binnenkomst deed-ie je niet / Hij nam je presentie voor kennisgeving aan / en modderde verder met de vergunnigen”, zeiden Sander en Martijn. De eigenaar daagde de jongens daarop manmoedig uit om “voor de jaarfinale een werkelijk gemeen gedicht te schrijven”. Wij wachten af. Ik hou mijn hart vast.
 
Na de pauze bleek Erika de Sterke één van de dichters die helaas niet doordong tot de volgende ronde; Jurgen, Nicky, Erwin en de Groninger gingen wel door. Het waren zinnen als deze die de avond maakten: “en nee... Becket doet mij niet aan een emmer denken” (Jurgen), “wij zijn er tegen dat de avond in één keer valt / wij eisen een sierlijke slowmotion” (Erwin), “Ah! Dag! Mijn wonderlijke angstjes!”. De hele tweede ronde en de finale kunnen we kortom samenvatten met de woorden die Peter M. van der Linden ooit, in zijn gedicht ‘De Speedboat van Noach’ over Peppi en Kokkie en Pipo de Clown, schreef:  “Toet Toet! / Boing Boing! / Asjemenou! / / Het was geweldig.”
In de finale ging het dus tussen Erwin Mulder en Jurgen Smit – die zeer aan elkaar gewaagd waren. Waar Jurgen de diepere wateren raakte, dreef Erwins voordracht op een woordenstroom van taalspel en plezier. Het was een klassieke strijd tussen Jurgen de dichter en  Erwin de slammer. Maar Jurgen won de publieksprijs en Erwin zien we terug in de Jaarfinale op de brug, omdat Erwin naar huis ging met de zegen van de jury. “Lieve God, wanneer wordt ik verdomme eens echt?” dichtte Erwin in de toegift, om even later op droge toon en met een strak gezicht te bekennen: “Puur natuur werkt niet voor mij / ik moet faken’. De romanschrijver Bernard Wesseling, die één van de aanwezigen in het publiek was, verslikte zich bij het horen van deze uitspraak in zijn biertje en dat, lieve mensen, heeft natuurlijk allemaal te maken met au-ten-ti-citeit.
 
En wie wil weten waarom Bernard zich in zijn biertje verslikte, en waarom ik niet gewoon, zonder streepjes, ‘autenticiteit’ schrijf, raadt ik aan om nu naar de winkel te rennen en van Wesseling de nieuwste prachtroman ‘Portret van een onaangepaste’ te kopen en te lezen en nog eens te lezen, maar dat terzijde.
 
Het was een zachte zomernacht en Erika de Sterke moest ergens ergens in het café, alleen op een hotelkamer of op de snelweg richting Gent zijn. Gelukkig waren we puur genoeg om geen medelijden te faken. Dronken van een mooie avond waren we gelukkig. Doorgaan zullen we, dacht ik vol goede moed. En doorgaan zullen we, in de volgende voorronde van de Festina Lente Poëzieslag op de derde maandag van Oktober.