Amsterdam maandag 18 juni 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








7e Grande Finale Festina Lente 7 juni 2005

Verslag door dichter/jurylid Sven Ariaans
Dinsdagmiddag, 17.00, en koud voor de tijd van het jaar. Drommen dichters en publiek verschuilen zich in café Festina Lente voor de snijdende wind. Ze kijken angstig naar buiten, naar de brug over de Looiersgracht. Daar moet het straks gaan gebeuren, daar wordt straks uitgemaakt wie zich de winnaar mag gaan noemen van de Grande Finale 2005.

Buiten in een stoel zit een man met een deken over zijn schoot. Simon Vinkenoog, jurylid. Naast hem uiteraard zijn vrouw Edith. Daar weer naast de Grande Finale-winnaars van respectievelijk 1999 en 2001; ikzelf en Erik Jan Harmens. Wij zijn ook jurylid. Alleen doen wij net alsof we geen deken nodig hebben.

De beste barman ter wereld, Jorrit, serveert ons koffie verkeerd. Erik Jan bestelt er een cognacje bij. Het is koud.

Presentatrice Roos checkt de microfoon. Die doet het. We gaan beginnen.

11 dichters, maandwinnaars van een poëzieslag uit het seizoen 2004/2005, danwel genodigd dankzij een wildcard van eigenaar Felix en zijn barpersoneel, zullen allen 2 maal 4 minuten voordragen. Daarna beslist de jury welke twee er doorgaan naar de finale. Dit duo wordt eventueel nog aangevuld met de publieksfavoriet, mocht dat iemand anders zijn dan diegenen die zijn uitverkoren door ons.

Alexis 'de Rode', een van de drijvende krachten achter het Poëziecircus uit Utrecht, mag/moet het schavot bij de brug als eerste betreden. Alexis is iemand met een wildcard.

Roos vertelt zoals gebruikelijk een kort verhaaltje over de dichter : "in november komt er een bundel van hem uit, getiteld: 'Geef mij maar een wonder.' Verder blijkt Alexis naast het Poëziecircus ook nog drijvende kracht te zijn achter de websites adopteereenkip.nl en adopteereenappelboom.nl. En zijn motto is: "een goed gedicht is een monster dat je 's nachts over straat achtervolgt." Met zijn signaalrode stekeltjeshaar zet Alexis met het gedicht 'Thee' in. Halverwege de zinnen: "O schunnige thee! Jij wil alles vullen met afgetrokken vocht!" Zijn tweede gedicht heette: 'Bij het licht van de wekkerradio'. Daarin de zinnen: "Ze trok een onderbroek aan. En daarna nog een."

De geciteerde zinnen strekten niet tot aanbeveling. Iets te gemakkelijk. Maar we weten dat hij het wel kan. Eerder in het seizoen had hij een megaproeve van bekwaamheid afgelegd met een parodierend gedicht over rap. Het café stond op zijn kop (en vandaar ook die wildcard). Maar Alexis is vooral op zijn best als hij zich richt op het poëtische. Zijn derde gedicht was prima: 'Sprookje'. "We kozen onze dagen als kiezelsteentjes."

Na Alexis de winnares van oktober, veterane Annemarie Estor. Limburgse, tijdelijk Haags geweest en thans wonend in Antwerpen. Haar motto: "dichters zijn leugenaars die de waarheid spreken." Annemarie staat bekend als het meisje/de vrouw die er met een stoïcijns gezicht de wildst erotische teksten uit slaat. Ik ben verrast als de eerste twee gedichten totaal geen sexuele verwijzingen herbergen.

Niet dat ze slecht zijn, maar het publiek kijkt desalniettemin verveeld om zich heen. Tot overmaat van ramp probeert een auto zich een weg te wringen door de mensenmassa. Annemarie kiest eieren voor haar geld en draagt 'Onrust op het molton onderlaken' voor. "tissues, er dansen witte wijven in mijn bed". En daarna als afsluiter van haar eerste blokje: 'Streken', met Estor-achtige zinnen als "Je buigt me neer over het hek". Het gedicht eindigt met "Zo creëer je met je streken een ruigheid zonder tegenspreken."

Die slotzin mag dan enigszins rijmdwangmatig overkomen, het werkt wel. Het publiek hangt aan haar onbeschaamde lippen. In haar tweede blokje, twee uur later, zou ze wederom ouderwets uitpakken met: "Hij neukte vele dagjesmensen op de boulevard" en sprak ze over haar tieten: "peren, je mag ze opeten, als waren het de dragers van een zachter leven".

Als derde de winnaar van de poëzieslag die werd gehouden op de dag dat Theo van Gogh werd vermoord. Gemal. Of Gamel. Op elk deelnemersformulier staat zijn naam anders gespeld, maar de jongen is een filmer, hij tekent, schildert en hij heeft workshops gevolgd bij de dichter Martin Reins.

Wat zal ik zeggen? Gemal draagt overtuigend voor. Hij leest voor van papier, maar dat heeft hij eigenlijk niet nodig, want hij kent al zijn gedichten uit zijn hoofd. Het zijn dan ook voornamelijk vormvaste gedichten. Ik vind het moeilijk om er iets over te schrijven. Vooral omdat de inhoud me weinig zegt. Het komt op mij gekunsteld over, en dan niet door de vormvastheid, maar door de grote woorden. Ter illustratie citeer ik hieronder een compleet gedicht, een gedicht dat Gemal voor zou dragen in zijn tweede blokje:

Ontdaan van ambitie
Dat is wat ze zeggen.
't Is niet
dat ik niet zie,ik heb niets uit te leggen
niets ten toon te stellen,
niets recht te zetten.
('t Is niet, dat ik niet zie)

Biecht op.
als je het zo goed weet,
tegenover wie
moet ik mij bewijzen.
Waarom moet mijn naam beklijven,
in een wereld met louter dwazen.
' Is niet,
dat ik niet zie,
maar vertel eens?
Heeft er ooit iemand geleden
onder iets dat-ie niet heeft geweten?
Heeft er ooit iemand geleden,
onder een gedicht, dat-ie niet heeft gelezen?

Dit gedicht zit niet slecht in elkaar. Integendeel. Het is, afgezien van het "dat" na "iets", goed verzorgd, toegankelijk, prima qua opbouw, maar toch heb ik er weinig mee. Wat mij betreft is de dichter hier niet echt aan het lijden, maar wordt er puur voor het gedicht even wat Weltschmertz gefaket.

En natuurlijk, faken mag, misschien moet het zelfs. "Oprecht veinzen", zei Frans Kellendonk, of neem het motto van Annemarie, dat daar op voortborduurt. Maar dan graag wel met de nodige zelf relativering. Een emotion-smiley achter het laatste vraagteken zou het gedicht volgens mij een stuk sterker maken.
Gemal zou niet lachen, helaas. Hij was bloedserieus. " 't is niet dat ik niet zie"... Dat klopt. Gemal ziet veel. Maar met samengeknepen ogen. Niks ten nadele van zijn techniek, maar het levert poëzie op die mij persoonlijk niks doet.

Iemand die wel met grote ogen naar de wereld kijkt is de vierde dichter van de avond : Bernard Wesseling, om vervolgens zijn observaties te vertalen naar naar rauwe poëzie. Bernard is de winnaar van december (hij was trouwens jarig op die bewuste dag) en zelfrelativering is zijn middlename. "Kus mijn biceps en vervolg je weg", is de openingszin die uit de mond van zijn iele gestalte rolt. Wat volgt is een poging tot een rijmend gedicht. Met o.a. een zinnencombinatie die luidt: "De durf die me lurven geeft/ ik kan je turven tussen de smurfen."
Dat klinkt niet best, zul je misschien zeggen. Toch komt hij er mee weg, want hij hypnotiseert met de zinnen er omheen. Ik schrijf die zinnen niet op. Ik beleef ze. Zoals gezegd, ik ben betoverd. Ik hoor een ideale kruising tussen Eus Kuiper en Erik Jan Harmens.

Daarna een gedicht met cabareteske uitstapjes : "Servetje erbij?" "Nee, ik hou het wel binnen". Om die grap wordt om gelachen door het publiek. Ikzelf zit nog altijd op geheel andere wijze bij te komen van wederom de zinnen er omheen.
Ik wil ze graag nalezen, die gedichten, maar Bernard moet er vandoor. Vanavond treedt Billy Idol op in Paradiso. Hij laat er zijn tweede blokje, en daarmee zijn kansen op de eindoverwinning, voor schieten. "Hij moet wel. Bernard is de grootste fan ter wereld", vertelt romanschrijfster Aukelien Weverling, een goede vriendin van Bernard: "als ik bij hem thuiskom draait er altijd een video van Billy Idol."

Het tweede blokje van Bernard zou later worden vertolkt door Sander Meij, tevens dichter, en net als Bernard vroeger, afwasser in de keuken van Festina Lente. Sander deed dat weergaloos. Zijn Amsterdamse accent was net iets anders, maar ook hij kon met Bernards teksten betoveren. Of ze op de situatie waren uitgezocht weet ik niet, maar er klonken grappige, al dan niet bedoelde verwijzingen naar Bernards afwezigheid. Zinnen als "ergens vecht ik om erbij te zijn". Of uit een gedicht 'voor mijn vrienden': "ik begrijp je wel, maar je zegt het verkeerd", of "het is niet dat ik de werkelijkheid probeer te ontvluchten, ik verwerp hem."

Maar misschien zoek ik nu te ver. Het komt omdat ik zo graag iets wil quoten waaruit blijkt dat Bernards poëzie briljant is. Het lukt me niet. Net zo min als me dat ooit bij Tjitske Jansen is gelukt. Het zal het geheel zijn. Uit sommige poëzie kan je niet knippen en plakken.

De winnaar van januari is aan de beurt, Savanne. Savanne is ook zo'n dichter waarbij op de techniek weinig valt aan te merken. Toch, het wil maar niet echt spannend worden. Zijn eerste gedicht heet 'koelbloedig - of hoe overleeft men een eskimovrouw'. De slotzin luidt: "het enige echte ijskonijn". Verderop tijdens zijn eerste blokje wordt het iets heftiger met "we veegden trekvogels van de ruit", of mooier met: "het ademen uniform en krap".

In zijn tweede blokje zou hij uitroepen "we schreeuwden tot we Fanta wogen". Het hielp niet. Ik werd niet geraakt. Nogmaals, zeer zeker geen slechte poëzie, die Savanne schrijft. De volgende was zijn slotstrofe: "Wat moet de man dat mammoet niet kan / zich plotsklaps verspreken tot hij vastgroeit in ijs." Ontwaar ik hier een symmetrische opbouw van de setlist? Prachtig. Maar het scoren van een flinke injectie kokend bloed zou wat mij betreft prioriteit mogen hebben.

Een man die dat heeft begrepen is Pom Wolff, de winnaar van februari. Zijn poëzie klinkt altijd gemeend. Pom is net als Gemal niet vies van een flinke portie Weltschmerz, maar bij Pom komt die recht uit het hart, gulpt die uit zijn aderen. Pom bloedt op het podium.

En dan komen de woorden aan. Ze spoelen over je heen en grijpen je bij de kladden. Het maakt bijna niet meer uit wat hij zegt, het klinkt zo erg ("echt erg") en zo oprecht, dat alles er extra diep inhakt ("hakmes").
" Die vrouw die je net een hand gaf, dat was je moeder", twee gedichten later: "je moet wel heel veel breken om te weten dat een hand een fout van waarde is". Dat vind ik in dit kader mooie zinnen.

Maar Pom is meer dan een combinatie van mooie zinnen en een goeie voordracht alleen. Hij zoekt ook de grenzen op. En heupwiegt zichzelf er overheen.
Ik zal eerlijk zijn: mijn tere zieltje is er niet altijd even goed tegen bestand. Soms wordt het mij iets te heftig.
Pom deed in zijn tweede blokje een cyclus over hoofddoekjes. Daarin kwamen nogal wat platheden voor. "Een spoor sperma wil ik zijn", kon ik nog wel hebben, maar bij (ik quote even totaal uit de context gerukt): "wat is een vrouw meer dan haar cellen", en "varken, ik hou van je", trokken mijn hersens een zelfbeschermend schild over zich heen en hoorde ik even niets meer.
Hoe ironisch/dichterlijk vrij ze eventueel ook bedoeld kunnen zijn, als ik mezelf vlak daarvoor in al mijn voegen heb opengesteld, vallen dit soort zinnen me net iets te rauw op mijn dak.
Nou ja. Misschien is dit een goed voorbeeld om de intensiteit van zijn voordracht te illustreren.

Als zevende is er weer een wildcard-dichter aan de beurt: Krijn-Peter Hesseling, de verliezend finalist uit februari. Een zeer terechte wilcard. Krijn Peter is een van de grootste talenten onder de Festina-debutanten van het afgelopen jaar. Voordragend uit het hoofd begint hij met "Het feestvarken spreekt", zoals de titel al zegt een gedicht vanuit het perspectief van een varken. Echt grappig wil het niet worden en het publiek reageert lauw. KP laat zich er niet door uit het veld slaan en leidt professioneel het gedicht 'slang sluipt uitzicht uit' in. Het publiek is er weer bij met de aandacht, maar het gedicht moet nog komen. Het blijkt een rapachtig gedicht, dat het net niet heeft.

In zijn tweede blokje zou KP 'Knokploeg' voordragen, een van de beste gedichten van de avond. Het was ook een rapgedicht, maar dan een dat het wel helemaal had. Wow, konden alle raps maar zijn als deze. Ik kan er nu zinnen uit gaan citeren, maar dat doe ik niet. Er zit een dieper ritme in; ik doe het gedicht tekort als ik slechts een fragment weergeef. De rap is in zijn geheel na te lezen bij het verslag van afgelopen februari.
Maar om kort te gaan: het publiek was uitzinnig. Ik ook. En ik koester nog altijd hoop op meer van dit soort gedichten van KP in de nabije toekomst.

Nu dan toch de winnares van september, Upperfloor. Vertraagd aangekomen en daardoor niet als eerste, maar als achtste op het podium, wordt ze door Roos ingeleid met twee van haar motto's: "Ik treiter graag" en "crimineel gedrag heeft altijd een positief resultaat."

Upperfloor draagt voor uit het hoofd. Ze wekt de indruk te improviseren, maar dat doet ze eigenlijk nauwelijks. De teksten zijn altijd min of meer hetzelfde. Het enige waar ze echt mee improviseert is de voordracht. Ze houdt een inleiding en scant ondertussen haar publiek op potentiële slachtoffers: mannen, die bij voorkeur van nature een tikkeltje onzeker zijn, maar die zich door middel van drank iets stoerder voordoen dan ze zijn. Zodra ze een geschikte kandidaat in het vizier heeft, loopt ze naar hem toe, zoekt naar haar falsetstem en begint met haar poëzie.
Ze bespeelt het publiek: de zittende danwel staande man wordt (uiteraard) belachelijk gemaakt en Upperfloor draait er getogen in een kittig jurkje op hoge laarzen omheen.
Het is mooi om te zien.
Het is iets anders.
Het is een welkome afwisseling.
Meestal. Maar vanavond heeft ze het zwaar. Vanaf de brug is het moeilijk interacteren met het publiek.
" Is het waar dat er een knop is waarmee je een kind aan en uit kan zetten", gilt ze als een volleerde sopraan.

Het publiek staart haar schaapachtig aan.
Ze richt zich van een paar meter afstand tot een van haar onbereikbare slachtoffers en krijst: "Waarom een slecht cadeau altijd slechter is dan niets?"
In haar tweede blokje zou ze declameren : "WIE SCHREEUWT WORDT NIET GEHOORD!"
Maar niet nadat ze een van haar onbereikbare slachtoffers had toegevoegd: "ik pak je bij je slurf en hang je aan de hoogste boom."
Ze eindigde met "mijn aaibaarheid", "poesjes zijn lief, mensen niet."

Marlies Zomers (zo staat het op het deelname formulier) is aan de beurt. Marlies is een van de revelaties van het seizoen. In april van dit jaar deed ze Festina aan. Ze kwam, zag en overwon.
Vanavond voert ze als motto: "pluk de brug". En zoals altijd draagt ze dynamisch voor, uit het hoofd, en zit er een lekker ritme in. Soms iets te goedkoop rijmend ("ik ben een geciviliseerd wijf in 2005"), maar dat werkt niet echt storend, dankzij de prettige beat in haar zinnen.

Het derde gedicht heet 'Het gevaar van echte liefde'. En dat klinkt anders. "Ik wil dichter bij je zijn dan een blaadje basilicum op een plakje mozzerella". "En dan moet je me beloven dat je mij ook opeet." Gedeclameerd op een toon die me bekend voor komt. De toon van een klein meisje met grote ogen. De toon die het altijd erg goed doet. Ik zie waarempel Tjitske (welliswaar een erg groot meisje, maar het gaat om de toon) weer op de brug staan. Grappig.
In haar tweede blokje zou ze de bekendere hits doen. Het plastische chirurg gedicht en nauurlijk Dance Valley (zie verslag april), haar regelrechte evergreen. Maar ze eindigde er niet mee. Ze eindigde met 'het gevaar van een slapend ego', waarvan de slotzin luidt : "in mijn dromen geloof ik dat ik wakker ben losgekomen."

Toen Tom. Winnaar van maart. Roos spreekt met een bedenkelijk gezicht zijn motto uit: "waar vader poept, raapt moeder de appels."
Tom begint met 'Gotspe', een versgeschreven gedicht.

" Ik woon op een zolderkamer, meisje
Ik woon bij een hospita, MEisje
Ik ben een ster MEISje
Ik ben wanhopig MEISJE"

En nog een heleboel meer zinnen eindigend op 'meisje', een woord dat hij steeds nadrukkelijker uitspreekt. Ik vind het niet meteen zijn beste gedicht. Eerlijk gezegd vind ik het een tamelijk slecht gedicht.
Ook de rest van zijn eerste blokje met nieuwe gedichten ("dan toch maar de slet van het internet opgevouwen meegenomen") vind ik niet om over naar de hospita van zijn nieuwe huis in de Pijp te schrijven.
En dat vind ik jammer. Want ik weet dat Tom een hele goeie dichter is. Godverdomme, je kan zoveel beter, denk ik.
" Weet je dat je zweet schat en dat ik dit het moment vind om je voor een keuze te stellen."

Heeft Tom niet nodig, dit soort zinnen.
Kom op Tom, denk ik, het is op zich goed dat je weer wat nieuwe dingen schrijft, maar alsjeblieft, steek er wat meer tijd in.
Ik zou het zonde vinden als je je uit gemakzucht gaat toeleggen op de rol van louter vermaak. Ik snap dat het iets heeft, en/maar/ook: "dat rock 'n roll vandaag een krokodillenvijver is". In al zijn facetten. Hoe dan ook: trap er niet in.
Or hit bottom, and make sure you come back. Dat mag ook.
In zijn tweede blokje zou Tom het publiek voor het eerst aan het meezingen krijgen, door zijn voordracht van "Meisje op een sportfiets" muzikaal te ondersteunen middels een ingeprogrammeerde track vanaf zijn mobiele telefoon.
Dat was mooi om te zien. Net zoals het mooi was om zijn andere oudere gedichten te horen.

Als laatste de winnaar van mei : Pim te Bokkel. Misschien wel het grootste talent van het moment. Pim is ongrijpbaar. Niet in te delen. Loopt altijd over randjes, waarvan je het bestaan pas ontdekt als hij spreekt.
" Het volgende gedicht is voor Menno Wigman", leidde hij in, "maar dat mag hij eigenlijk niet weten". Om te vervolgen met zijn openingsgedicht: 'het is niet moeilijk om gelijk te hebben. Als je zegt... :'
Waarna hij komt met een reeks synonieme uitdrukkingen van: "alles valt in twijfel te trekken."

Net als Pom draagt Pim enorm intens voor. Maar waar Pom spreekt vanuit zijn hart, zie je Pim spreken vanuit zijn brein. En dat zorgt voor verwarring, om maar eens een clichéterm te gebruiken. Wat ik bedoel: als je goed luistert naar Pim dan hoor je zelfrelativering met een edge: Pim begint een gedicht met: "Er was eens een vrouw, maar nu ben ik."
Een ander voorbeeld zou volgen in zijn tweede blokje: in zijn gedicht, 'tot het weer', sleept hij alles wat ie ooit op papier heeft gezet naar het midden van zijn kamer en "stapelt het tot een flatgebouw van woorden".
Een doorsnee dichter zou die scène, met de Weltschmerzgedachte in het achterhoofd, laten volgen door een zin als: "en ik stak de stapel in de hens."
Pim niet. Pim spreekt: "ik sloot mijn ogen en knielde".

De dichters hadden gezegd. Simon trok de deken van zijn schoot en vroeg: "wat denken jullie?"
We overlegden. We besloten. Pom en Marlies.
Het publiek voegde haar favoriet toe: Gemal.

"Gemal?" vroeg ik aan Roos, die de stemmen had geteld.
" Ja, Gemal".
" Dat had ik niet verwacht"
" Ik ook niet."
Over de finale ga ik kort zijn.
Pom was in vorm. Hij deed een van zijn eigen favorieten, zijn Johanna-gedicht en een aantal overigen uit het beste segment van zijn repertoire.
Gemal pakte ook stevig uit. Meer van hetzelfde, maar van een net iets hoger niveau.
Marlies ging op de contactuele tour en greep het publiek bij de lurven.

"Wat denken jullie?", vroeg Simon wederom.
We werden het eens.

En ik moest het podium op om de uitslag bekend te maken.

"Kort", riep Felix, "hou het kort, we hebben maar een vergunning tot 23.00 uur".

"Goed", riep ik terug, en zei tegen het publiek: "het uitgebreidere verslag kunnen jullie binnenkort lezen op www.hotel-boekenlust.nl"

Dat binnenkort betekent bij mij meestal: "in de loop van de maand".

En hier was het dan. Het verslag van een schitterende avond. Goeie dichters, fijn publiek en een terechte winnaar. Zijn naam leest u helemaal onderaan. Na zijn gedicht 'aftrap'.

Sven Ariaans


Aftrap

men neme een hoofd
men neme het hoofd van johanna
men zet johanna op een stoel
nadat men deze stoel op de middenstip heeft geplaatst
van - laten we zeggen van het ajax-stadion

men neme een hakmes
men slaat op het hoofd van johanna
om te proberen
vervolgens hakt men het hoofd
van johanna's lichaam af
het mes kent ook een scherpe kant
men neme het hoofd
en legt het hoofd op de middenstip
men laat johanna gewoon zitten
men neme op de koop toe
dat de mensen zeggen: dat kan niet

men ontkleedt johanna tot haar taille
ze is er zelf toch niet meer bij - met haar hoofd
men neme het hakmes opnieuw in de hand
men make een keuze

kiest men voor de linkerborst
dan slaat men de linkerborst eraf
kiest men voor de rechter
dan de rechter

men verlaat het ajax-stadion
om een kroketje te eten.


Pom Wolff