Amsterdam dinsdag 16 oktober 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG



Het was een goede dag om te trouwen, de zon strooide zijn stralen breedwerpig uit over de Looiersgracht, er was een sloepje waarin een strijkkwartetje speelde en er werd door kinderen met rijst gestrooid, maar op zaterdag 12 juni ging het in café Festina Lente natuurlijk niet om de trouwdag van Martijn, Henk en Ingrid, noch draaide alles op die mooie dag om het Loversgracht Festival, nee, dit was alles slechts de achtergrond – waar het om ging was de Jaarfinale Festina Lente Poëzieslag. De beste kandidaten van het afgelopen jaar verzamelden zich op de brug om elkaar in twee rondes en een finale met woord en vuur te bestrijden. Juryvoorzitter Sven Ariaans noemde 2010 een heel goed jaar, “er waren mindere jaren, maar nu zijn we weer op de weg terug.”

Door: Pim te Bokkel


Verslag Grande Finale v/h 12e seizoen.
 
DE VOORRONDEN
 
Xander van der Drift kreeg van Martijn den Bakker, die de middag presenteerde, als eerste dichter het woord. Xander las naar aanleiding van het Wereldkampioenschap voetbal een gedicht over giraffes die hun eigen feestdag vieren en droomde even later van een Brabant waarin Flinstones wonen. Om redenen die me nu nog niet helemaal duidelijk zijn, deden de Flinstones me juist denken aan de verkiezingswinst van de PVV in Limburg. Misschien lette ik even niet op, misschien kwam dat ook doordat Xander zijn teksten van papier oplas. Niets heb ik tegen dichters die op een podium van papier lezen, maar zodra iemand zich verschuilt achter een wit vel en een microfoon, omdat de gedichten in een te klein lettertype zijn uitgeprint, gaat dit duidelijk ten koste van de voordracht.
Xander haalde de tweede ronde, maar, dat moet ik er wel even bij zeggen, alle deelnemers haalden de tweede ronde. In de tweede ronde, over stukjes walvis en winkeletalages waarin dingetjes met visdraad waren opgehangen, was de voordracht van Xander beter, maar hij las gehaast, alsof er nog een trein gehaald moest worden.
Martijn met de goede achternaam, die je hieronder in een correcte spelling kunt nalezen, had in de eerste ronde een indrukwekkende voordracht, die me helaas helemaal is ontgaan, omdat zijn stemvolume te laag was en de geluidsboxen op een bootje in de Looiersgracht stonden. Ik hoorde alleen dat de tijd een rode vrouw was. Ik keek met verkokerde ogen naar de dichter op het podium. “Verkokerde ogen,” had ik dat zelf bedacht of kreeg ik dat nu zonet ingefluisterd? In de tweede ronde speelde hij echter met woorden als “is is” en “Isis” en “stamelgevechten” die “Babelgevechten” werden.
“Waar ben je thuis dan te midden van een stuk hagel?” vroeg Albert Bobeldijk zich daarna af. Ik vond het een rare vraag. Je thuis voelen in de loopgraaf? Albert ken ik als een dichter met rake beelden en sterke zinnen, maar dit vond ik toch wat gezocht. Toen zij hij: “Je spleen heeft een stoel nodig!” En dat vond ik dan wel weer een goede zin. Martijn, de presentator was het geloof ik met Albert eens en bood me een stoel aan: “Hier, kan je mooi notities maken voor je verslag.” Ik noteerde de zin: “Ze schrijft met bessensaus.”
“Hocus focus pas,” zei de Belgische dichter Jean Loekx. Taalspel, vindingrijkheid, woorden van suikerstroop op Brusselse wafels, dacht ik. Jean Loekx zei dat hij mijn zelfbeeld had doen laten op kijken, en warempel, daar keek ik ook zelf van op.
Luid en recht in de microfoon praten is een advies dat de dichter Melvin niet nodig heeft, zo merkte ook Martijn den Bakker op. Melvin heeft een stem als een persluchtapparaat dat aangesloten is op een vuvuzelatoeter. Melvin is de dichter die in zijn houding en postuur een beheerste indruk maakt en juist daarom zou hij nog wat zuiniger met zijn stemverheffingen mogen zijn. Melvin sprak over de “witte zwijgvelden tussen de regels”, maar in zijn voordracht vult hij die zwijgvelden juist op met geluid en gebarentaal dat soms goed en vaak wat minder goed uitpakt. Toegegeven, zijn voordracht op de brug was vele malen sterker dan die van vorig jaar. Maar in de tweede ronde begon ik me af te vragen waarom ik als toehoorder toch geen contact met die Melvin, als zijnde de mens op dat podium, krijg. Ik dacht: de beste man kent alles uit zijn hoofd, hij brengt het alleen niet.
 
Na een te lange pauze, waarin een bandje uit Madurodam verschillende rockcovers speelde, nam Wendela de Vos het woord. Haar gedichten kwamen minder goed over dan de vorige keer dat ik haar zag: ze verwaaiden met de wind en gedichten die eerder wel een grote indruk maakten werkten dit keer minder goed.
 
Josse opende met een tamelijk briljant schimpdicht, iets dat je aan Josse wel kunt toevertrouwen, op het hedendaagse fenomeen van de Uggs. Hij vergeleek de arme schoentjes onder meer met gefermenteerd hooi en weende uiteindelijk “als een echte man.”
Als Marcel van Dijk spreekt klinkt alles erg en doorgaans is het dan ook erg. Marcel is een hofleverencier van pijnlijke oneliners als: mijn tong krult zich tot een leugen, goed gereedschap is alles waard, zaad dat kansloos op een zakdoek sterft, het deeg kreeg slaag. Met diezelfde monotone toon, maar door een soms perfecte intonatie goed verstaanbare stem, las hij over een kroket: “Wim eet een kroket. / Waarom eet Wim een kroket? / Een kroket is voor Wim alibi /  om mosterd te eten.” Simpel, sterk, raak, veelzeggend, poëzie, Marcel van Dijk. 
De eerste ronde van Daan Doesborgh was onvergetelijk. Briljant was zijn gedicht over Tom Waits. Ik keek de Martijn den Bakker aan en we knikten allebei zo van: wat de hel, die stem, die microfoontechniek! In zijn tweede gedicht presenteerde Daan zich als een doorgedraaide medewerker van Tell Sell, briljant, speeksel spuwend, consumptie tyndaliserend in zonlicht. Maar zijn eerste ronde was zo goed dat hij het in de tweede niet kon overtreffen.
Kira Wuck klonk wat serieuzer dan anders, misschien was ze zenuwachtig – haar zinnen waren er echter niet minder om, strak en absurd als altijd. “De trein waarvan je vertrekt neemt alle lucht mee” zei ze. En ook waren er jongens die de heupen draaiden, ze “wiegen scharnieren los voor de daad”. En in haar laatste gedicht van de eerste ronde zei ze dat eenzaamheid naar kalfslever ruikt. In de tweede ronde was ze net zo sterk met zinnen als: “jij vond het niet erg dat ik geen echt schaap was” en “mijn jurkje zinkt als een vaatdoek”.
 
DE FINALE
 
Inmiddels was het koud geworden en verhuisden we met zijn allen naar binnen voor de finale. Maar niet voordat er op de brug van de Loversgracht nog een stuk of wat stelletjes trouwden om, eenmaal het bruggetje over, te scheiden. Twee blonde broertjes wierpen hun vers hertrouwde ouders rijst toe alsof ze nog een appeltje te schillen hadden: een fikse hand vol korreltjes, werd bovenhands, strak in het gezicht van die pa gesmeten en hup en hoppa nog een hand. Ja, de sfeer zat er goed in.
 
Alvorens ik de uitkomst van de poëzieslag verklap, kan je alhier een videoverslag van de finale bekijken (we kunnen de filmpjes helaas niet embedden, gelieve zelf wat knip-en-plak-werk te verrichten): http://www.youtube.com/watch?v=Sj6Ys0oS1C4&feature=player_embedded.

Het was een goed jaar, zei Sven Ariaans als juryvoorzitter, in het juryverslag: http://www.youtube.com/watch?v=TM6RYobU9eY&feature=player_embedded
 
Wanneer je het filmpje hebt uitgekeken, dan heb je gezien dat Kira Wuck terecht de publieksprijs won. Sven noemde haar de koningin van de beginzinnen. Marcel van Dijk werd getypeerd als: alles is zwart, gereformeerd in de polder. En Martijn Teerlinck wist de jury in de finale tot tranen te roeren... hij was geen dichter van het absurde, soms pijnlijke leven, maar ontpopte zich juist als een hogepriester van dat wat dit leven omhemelt. Eerst begreep ik alle ophef niet. Ik maakte druk aantekeningen van alles wat Teerlinck zei, noteerde taalspelen en symbolen en... mistte, zo ik later begreep, een groot deel van de betovering. Die betovering zit ‘m immers ook in de overtuigingskracht en het kwetsbare geloof waarmee Teerlinck zijn werken voordraagt. Toen ik dat zag, was ik ook betoverd en kon ik het niet nalaten om deze winnaar, die ziek en bleek op het podium stond, nog om een toegift te vragen. “Toe, verhef het volk!” zei ik. “Met je linkse hobby!” klonk het daarop vanachter uit de zaal.
 
Martijn verzamelde daarop zijn krachten voor toch nog een toegift. Liefdevol sprak hij over iets met een iets van afgeknipte takken. Het deed me denken aan een knotwilg. Het was een ritmisch en slepend gedicht waarmee hij bewees de terechte winnaar van de Festina Lente Poëzieslag 2010 te zijn. “En eeuwwervels houden je rug bij elkaar...” zei Martijn. En zo was het, niet ongezien gebleven, tot in den eeuwigheid, goed.
 
 
Pim te Bokkel