Amsterdam vrijdag 14 december 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








Verslag poezieslag di 3 september 2002

Verslag door dichter/jurylid Sven Ariaans 
In het verleden eindigden de Festina-seizoenen altijd op 5 mei met een zinderende Grande Finale tussen de respectievelijke maandwinnaars.

Dit jaar werd echter voor het eerst gekozen om het poezie-seizoen niet te eindigen, maar te openen met diezelfde Grande Finale. Deze zou plaatsvinden op 23 augustus, om in de slipstream van de opening van de Amsterdamse Uitmarkt, ongekende hoeveelheden publiek naar de Looiersgracht te trekken. Maar helaas, helaas, een vergunningsprobleem doorkruiste de ambitieuze plannen van de organisatie en zo kon het gebeuren dat er op dinsdag 3 september reeds een nieuwe reeks poezieslagen van start ging, nog voordat de Grande Finale van de editie 2001/2002 had plaatsgevonden. Het publiek leek het allemaal niet zo gek veel te kunnen schelen.

Dat was in traditionele getale naar Festina gekomen om ouderwets een dozijn poeten de dichterlijke arena te zien betreden. Onder het toeziend oog en luisterend oor van de jury, bestaande uit dichter Simon Vinkenoog, dichter en Nederlands slamkampioen Erik-Jan Harmens en dichter/rapper Sven Ariaans, mocht Frans Terken het spits afbijten. De onderwijzer uit Leiderdorp met Limburgse roots berichtte vooral over "de oude stad". Met deze stad bedoelde hij overigens Leiden, de ooit zwaar belegerde veste, waar tegenwoordig een heus dichtersgilde huist en waar op vele gevels en muren poezie te belezen valt. Dat zijn beschrijvingen van plaatselijke horeca-gelegenheden als Huis ter Bijlen evengoed over een café in pakweg Heerlen zouden kunnen handelen deed niets af aan het vakmanschap waarmee Frans zijn zinnen weet te smeden. Correcte poezie waar weinig op af viel te dingen.

Spannend was het echter allemaal niet. Het uiterlijk van de tweede kandidaat van de avond, Quirien van Haelen, beloofde wat dat betreft al een stuk meer. Met een rode, twee potten vet bevattende kuif boven zijn lange zwartgeklede lichaam kondigde de 21-jarige poeet uit Roermond zijn eerste gedicht aan met de woorden "Heavy Metal". Wie echter vervolgens een autobiografische ode verwachtte aan een levensstijl kwam bedrogen uit, want Quirien bleek allesbehalve een zelfbeschrijver te zijn. Met zeer intelligent lightverse belichtte hij de uiteenlopendste thema's, waarbij hij een cabaratesk hoogtepunt bereikte met een "Opstel Frans"; een gedicht waarin hij middels klemtonisch gegoochel met phonetisch Frans het publiek tot achterin de zaal aan het lachen kreeg. Voorwaar geen gemakkelijke opgave om na deze deelnemer de planken te moeten betreden, maar die opdracht viel gelukkig ten beurt aan de veteraan der Festina-veteranen, Bernard Wesseling.

 En hoewel hij, na prettig overactend 1 van zijn klassiekers "Werkloos" te hebben voorgedragen, zijn 3 minuten eindigde met een gedicht waarvan de laatste zinnen luidden : "Kijk naar mijn foto, dat ben ik niet meer", konden zowel publiek als jury tevreden constateren : Bernard is nog altijd Bernard, en als ie het niet meer is dan is ie hooguit nog beter geworden. De laatste kandidaat van het eerste blokje luisterde naar de naam Gelijn Molier. Een 79-jarige docent drama die zichzelf in zijn poezie afvroeg : "ik weet niet of ik een dichter ben". Daar is natuurlijk altijd over te discussieren, maar op veelzeggendheid viel hij in ieder geval niet te betrappen, laat staan op drama. Ook de vijfde deelnemer, de 40-jarige Amersfoorter Wichard Maassen, viel op dat vlak niet direct te betichten van een overdosis.

 Het waren lieve en ongetwijfeld goedbedoelde gedichtjes die hij te berde bracht, die zowel de lichtheid als de zwaarheid van het huiselijk bestaan portretteerden, poetische aquarellen van zijn zoontje, van de werkster en van de "eenzame man", maar zowel de positieve als de negatieve opwinding was ver te zoeken. De zesde dichter van de avond, Jos ("uit Den Bosch") van Berkel bleek ook niet echt een opgewonden figuur, maar was desalniettemin een verademing. Als raskunstenaar van de relativering wist hij weer glimlachjes op de gezichten van het publiek te toveren en dankzij de ontwapenende zelfspot tijdens zijn inleidingen ("ik zal het nu wel verknald hebben") en de af en toe absurde wendingen in zijn poezie (uit het niets viel het woord "paardenlul" uit de lucht) wist hij de bezoekers zelfs tot een langgerekt grinniken te krijgen. Deelneemster nummer 7, de 22-jarige Nijmeegse Marjolein Pieks lukte dat niet, maar dat was dan ook niet haar bedoeling. "Geniet met mate" luidde haar motto en zulks geschiedde. Gespeend van elke angst om als rijmdwangmatig te worden bestempeld declameerde ze korte Sinterklaasgedichtvormige probeerseltjes, waarbij ze de afzonderlijke teksten steevast verbond met een overpeinzend "hmmmmm".

Daarna was het de beurt aan de ouwe trouwe Eindhovense "Soulman" Willem Adelaar. Onder het motto "ik is geen vies woord", "sloeg" hij onder andere "zijn vleugels in de wand" en concludeerde hij uiteindelijk "wat ik ben is nog in wording". Bij Willem Adelaar zit er vaak meer in zijn gedichten dan je op het eerste gehoor zou vermoeden; het is poezie die duidelijk in de ziel is ontsprongen, maar waar vervolgens wel degelijk over na is gedacht. De negende kandidaat, Miriam van Oort, wist op die beide gebieden iets minder te overtuigen. Haar poezie zit ritmisch bepaald niet slecht in elkaar, maar blijft steken in de vorm. Ook de tiende deelnemer,Ozy Mantra, een pseudoniem voor ene Marcel, ontbeerde overtuigingskracht, in zowel woorden als voordracht. Vanwege het niet komen opdagen van Suzanne Koster was Wilma van de Akker de laatste kandidate van de avond. Wilma is zo ondertussen een bekende aan het worden op de Festina-planken en ik moet toegeven dat ze langzaam maar zeker poetische vorderingen maakt.

Edoch, zoals ze zelf die avond dichtte : "aan een hemel zonder wolken drijven toch nog oude koeien". Het zou geen kwaad kunnen als ze eens een wat langere aanloop zou nemen, opdat ze over de sloot weet te springen.
Over het vervolg van de avond ga ik kort zijn. De jury was van mening dat het venijn voor de verandering eens met name in de kop ipv de staart zat en nomineerde achtereenvolgens Frans Terken, Quirien van Haelen, Bernard Wessling, Marjolein Pieks en Willem Adelaar voor de tweede ronde. Deze mochten in omgekeerde volgorde aantreden. Het bleek een mooie selectie te zijn. Opnieuw weerklonk oversaagd de soul van Willem, daarbovenop onverwacht mooie zinnen van Marjolein ("Het theater van zoekgeraakte proporties; het doek ontsluit, het spel ontbindt"), een enigszins beschonken maar niet minder op dreef zijnde Bernard, de blijvend grappige cabareteske poezie van Quirien en last but not least een inmiddels poetisch globetrottende Frans Terken.

De jury had het niet makkelijk, twijfelde hevig, maar besloot ten slotte op grond van kwaliteit en veelzeggendheid Frans Terken en Bernard Wesseling te kiezen als finalisten. En tsja. Ook na die finale had de jury flink wat bedenktijd nodig in het streven consensus te verkrijgen. En zoals jury-rapportlezer Erik_jan Harmens zei : "de jury bleef verdeeld". Toch vloeit er uit een verdeelde jury die uit drie personen bestaat, wiskundig onvermijdelijk een winnaar voort. Ik presenteer hem u hier, niet zonder trots, met een van zijn gedichten :


PAAR
Lange feesten met rare beesten
Leven op sloffen, grijnzend met klapsigaren
Aapjes die Coco zeggen te heten
Dansend op de bar tot diep in de nacht
Diepe gesprekken met grotere gekken
Met het hoofd losgeschroefd onder de arm gestoken
Volgt hij de sloffen die slijten in het maanlicht
Zacht briesend, lachend om zijn eigen aangezicht
Denkt aan een vrouw deze vent
Hoog staan hemel en hart
Als een witte vlag in de oorlogskou van een ochtend
Die opdoemt en zingend begint met vogeld hangend in een nachtblad
Verdekt en doordringend‹Vrouw van vent, vrouw van vent
Laat een ster knipperen met je ogen
Dat hij weet waar je bent
De stad is klaar, een brug
Hangt stil en omgekeerd lachend
In kalm water wachtend
Op het zoenende paar.

© BERNARD WESSELING