Amsterdam maandag 18 juni 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








Verslag poŽzieslag di 1 oktober 2002

Verslag door dichter/jurylid Sven Ariaans
Gedurende de eerste week van oktober 2002 vonden in 's Neerlands oudste poetryslamtempel, eetcafé Festina Lente, maar liefst twee poëzieslagen plaats. Een overdosis? Welneen; om Mae West te citeren : "too much of a good thing is wonderful." Voordat op werelddierendag de Grande Finale van het seizoen 2001/2002 zou worden gehouden, was er op dinsdag 1 oktober eerst nog een reguliere wedstrijd.

5 dichters en 3 dichteressen achtten zichzelf en hun poëzie rijp genoeg voor een publieke presentatie op de Festina-planken. En zij hadden het gelijk aan hun zijde, want hoewel de jury, bestaande uit dichter Simon Vinkenoog, dichter Hans Plomp en dichter/rapper Sven Ariaans, meende dat sommigen van hen in deze een inschattingsfout hadden gemaakt, waren de reacties van het publiek als vanouds enthousiast.

De sfeer kwam er al direct goed in met de poëzie van de eerste kandidate; de Surinaamse Juliana Fickie. Regelrechte wandtegelteksten, maar zo oprecht, gedreven en hartverwarmend voorgedragen,dat je van oerijs moest zijn om toch niet stiekem een beetje te smelten. De tweede dichter was iets cerebraler van aard. Pim Karhof, medewerker van de Stichting Literaire Activiteiten 's Gravenhage (SLAG), bracht wellicht de intelligenste poëzie van de avond. Keurig uitgebalanceerde gedichten, goed gearticuleerd voorgedragen. Soms echter, is relatieve perfectie alleen niet voldoende. Temidden van het (weliswaar veelal goedkope) emotionele geweld van de overige deelnemers, had de poëzie van Pim moeite om snaren te raken.

De derde poëet, Julius Coban, noemde Toon Hermans als zijn favoriete dichter en dat gaf min of meer aan wat voor vlees er die avond in de kuip lag. Een van de positieve uitzonderingen op dat gebied, was de laatste dichteres uit het eerste blokje; de Amersfoortse secretaresse Tineke Slats. Met een karakteristieke hoge piepstem zette ze haar eerste gedicht in, getiteld "Aubade", waarvan de beginzinnen enigszins clichématig overkwamen. Bomen zus, bomen zo, maar plotseling viel als een potloodventer in de kerk, de sex het gedicht binnen. Een gewaagde exercitie, die het publiek zeer wist te waarderen. Ook de eerste dichteres van het tweede blokje, de 22-jarige Nijmeegse Marjolein Pieks, wist de volledige aandacht te trekken, met name door haar overtuigende voordracht. Waar ze een maand eerder haar afzonderlijke gedichten nog verbond met een aarzelend ge-"hmm", declameerde ze nu zelfverzekerd, waardoor haar poëzie, grotendeels bestaande uit staccato beschouwingen, een stuk beter tot haar recht kwam.

De zesde kandidate, Vera Winter, een lerares uit Amsterdam, begon eveneens niet onaardig. Toegegeven, ze had te kampen met een serieuze vorm van rijmdwang, maar het thema (en tevens titel) van haar eerste gedicht, "Liefde" werd aan de hand van een lange serie dierenmetaforen redelijk origineel belicht. Jammer was alleen dat ze blijkbaar zo tevreden was met deze vormvondst, dat ze het trucje in haar laatste gedicht herhaalde, zij het ditmaal met sprookjesfiguren. Zevende poëet in de rij was Jan Jaap Donder, een 42-jarige Amsterdamse bloemist. Jan Jaap had op rijm enorm veel dorst en zin in borsten (even was ik bang dat ie ook nog trek zou hebben in worsten, maar dat viel mee gelukkig) en nog meer in Abdij Leffe en Choulette (als ik het goed verstaan heb) en bleef daar gedurende zijn complete drie minuten op het podium herhalend naar verlangen. Bloemen houden van mensen en bloemisten blijkbaar van Belgisch bier.

En toen, dames en heren, toen was het zover, of om met de Trockener Kecks te spreken : "De zon sprong aan, schaduwen smolten, licht keerde terug waar het ooit was geweest". Met de achtste en laatste deelnemer van de avond, Aik Kramer, leek er eindelijk weer eens een megatalent zijn debuut te maken in Festina Lente. De 22-jarige rechtenstudent uit Heemstede bracht in de eerste ronde slechts 1 gedicht. En het sloeg bij zowel publiek als jury in als een bom, veroorzaakte een aardverschuiving op dezelfde schaal van Richter als de rapper Kasper van Duin vorig jaar november had weten te bewerkstelligen met zijn "Blues on 6 november". Aiks meesterwerk was getiteld "Graffiti"; een schitterende rap, barstend van het binnenrijm en gestut met een subtiel verborgen ritme binnen het ritme. Een aaneenrijging van ongeforceerde alliteraties, gedeclameerd met een fanatisme waar menig fundamentalist jaloers op zou zijn. Het gejuich dat Aik ten deel viel was dan ook oorverdovend. Hier stond een verse verlosser, zo was eenieder overtuigd, ikzelf incluis. Maar helaas, helaas. Letterlijk en figuurlijk te vroeg gejuicht.

Zo bleek eigenlijk al in de tweede ronde, waarin hij stond tegenover de volledige afvaardiging van des avonds dichteressen (Marjolein, Tineke en Juliana). Onder het motto "De aanval is de beste verdediging" was hij het podium opgesprongen, zijn kaken omgeven door een Palestina-sjawl, waarna hij stevig tekeer ging tegen de economie in het algemeen en het kapitalisme in het bijzonder. Niet dat daar iets op tegen is, au contraire, maar wat mij betreft dan wel graag op een enigszins poëtische wijze. Natuurlijk "is een tekst", zoals jurylid Simon Vinkenoog terecht opmerkte : "poëzie als de dichter het poëzie noemt", maar als je als toehoorder het gevoel krijgt eerder op een politieke manifestatie aanwezig te zijn dan op een dichtersavond, wordt het toch tijd om eens voorzichtig achter de oortjes te krabben.

Vooral als zelfs de vorm van het uitgesprokene hoe langer hoe fletser gaat afsteken bij een betoog van een gemiddeld Tweede Kamerlid. Niettemin gaf de jury Aik op grond van de eerste ronde de voorkeur van de twijfel en zo gebeurde het dat hij tegenover Marjolein in de finale kwam te staan. Maar in diezelfde finale draafde Aik onverdroten door op de ingeslagen weg, raakte hij steeds verder verwijderd van het oorspronkelijke poëtische spoor, tot hij het, al dan niet bewust, volkomen bijster was. Een ontpopping in reverse; de vlinderende dichter die zich terugtrekt in het blikbeperkende cocon van het politieke fundamentalisme; de trotse maar tevens toch enigszins trieste verwording tot "Pim Pamflet", zoals een medebezoekster, ene Linguina, het mooi uitdrukte. Edoch. Een ding blijft als een paal boven water staan : het talent is er. En in een mate die maar weinigen gegeven is.

Het andere tweeëntwintigjarige talent van de avond dat zich een weg naar de finale had gedicht, Marjolein Pieks, hield wel vast aan haar oorspronkelijke koers. Met poëtische portretjes van alledaagse situaties was zij het uiteindelijk die boven bleef drijven in Festina's kweekvijver van dichterlijk podiumtalent. (Bijna) Onderaan dit dubbelverslag kunt u een gedicht van haar lezen om verder kennis maken met deze winnares van de juryprijs. Rest mij nog te vermelden dat de publieksprijs met overmacht werd gewonnen door de secretaresse uit Amersfoort; debutante Tineke Slats. Dit was ongetwijfeld mede te danken aan het gedicht "Jouw zoon"; veruit het mooiste wat er die avond aan gevoelige poëzie op de planken werd voorgedragen.

Winnares juryprijs Poëzieslag 1 oktober 2002: Marjolein Pieks

er huist poezie
in dit vertrek
ik hoor de echo
haal het van de muren
een pen
vangt
de vage klanken
van het ongeschrevene
en rust
met trillende punt