Amsterdam zaterdag 18 augustus 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








4e Grande Finale Festina Lente 4 oktober 2002

Verslag door dichter/jurylid Sven Ariaans
Op vrijdag 4 oktober was het zover: de Grande Finale 2002. Een dozijn uitverkoren dichters, twaalf apostelen van de podiumpoëzie, de Festina-maandwinnaars van het afgelopen seizoen, traden aan in deze strijd, die zich waarschijnlijk de zwaarste poëtische competitie van Nederland mag noemen. Niet voor niets werd de titel tijdens de nationale stedenslam van mei 2002 met significant verschil gewonnen door een team van (ex-)Festina-jaarwinnaars. Zoals de traditie voorschreef, werd ook deze Grande Finale weer buiten gehouden, op de brug over de Looiersgracht.

De weergoden waren ons mild gestemd; het bleef droog en de temperatuur vertoonde een piekje in vergelijking met de dagen ervoor en erna. Het concept voor de avond week licht af van de normale gang van zaken; alle twaalf dichters zouden 2 maal 3 minuten de tijd krijgen om de jury, die net als vorig jaar bestond uit dichter Simon Vinkenoog, dichteres Diana Ozon en rapper/dichter Sven Ariaans, er van te overtuigen dat zij een van de twee plekken in de ultieme eindstrijd van de Grande Finale verdienden. De presentatie werd voor de gelegenheid verzorgd door een duo; de welbekende Neeltje en Gerard. De eerste die door hen werd aangekondigd was Babak Amiri; een Perzische muzikant uit Zaandam. Hij opende met een (liefdes-)gedicht waarin hij zijn gevoel probeerde te omschrijven door middel van woordelijke akkoorden. Het sloeg niet zo goed aan als in maart (wellicht was akkoordenkennis een te grote vereiste/bevonden er zich minder muzikanten in het publiek/is openen altijd moeilijk), maar gelukkig kwam Babak vervolgens op de proppen met 1 van zijn toppers : "Ik had al heel lang niet meer hoeven liegen". Een filosofisch gedicht, waarin de verontrustende thematiek wordt begeleid door een quasi-onverschillige, rustgevende stem. En dat is precies waar de kracht van Babak ligt; deze dichter kan melodie brengen in wereldrampen, dankzij een perfect gedoseerd gebruik van licht ironie en mild cynisme.

De tweede kandidaat van de lijst, Maarten Das, was een paar minuutjes te laat (hij had nogal lang had vastgezeten in een groot geel gevaarte ergens tussen Utrecht en Amsterdam Centraal); gelukkig was rapper Kasper van Duin zo sportief om met hem van plek te verwisselen. Hij opende, zoals hij vaker pleegt te doen, met een gedicht dat compleet was toegespitst op de actualiteit. Ik vermoed dat we, als de Grande finale 48 uur later was gehouden, een eerste requiem voor Prins Claus hadden mogen beluisteren, maar in dit geval hield Kasper het bij een gedicht over de Poëzieslag zelve. Een rap waarin repeterend de zin "If music is the food of love, play on" voorkwam. De 17-(of inmiddels 18-?)jarige Amsterdammer droeg voor zoals praktisch alle rappers dat doen; zichzelf bloedserieus nemend en de woorden kracht bijzettend door middel van strakke handgebaren. Zo hoort het nou eenmaal; als rapper ben je een soort moderne prediker, en predikers moeten uitstralen dat ze rotsvast geloven in hun boodschap.

Persoonlijk kan ik erg genieten van deze manier van voordragen, maar een nadeel is dat ie op menigeen nogal agressief en/of arrogant overkomt. Zeker als je niet predikt voor eigen parochie. De kunst is dan om over de dunne lijn te lopen waarop je het publiek nog net niet van je vervreemdt. En ik moet zeggen: Kasper beheerst die kunst. Maar dat er ook een heel andere manier is om rapachtige poëzie te brengen, bewees de inmiddels gearriveerde Maarten Das. Zijn motto luidde als vanouds "een andere wereld is mogelijk". En zag daar: "De Giraffe" stelde zich vervolgens open op, toonde kwetsbaarheid, zowel in woord als daad. Gevoelige gedichten met een schitterend ritme, voorgedragen alsof ze uit kostbaar kristal waren vervaardigd. En terecht, want dat waren ze ook.

En het publiek? Dat was buiten zinnen. De vierde deelnemer op de lijst was Annemarie Estor, maar aangezien de grote gele gevaarten-gigant die vrijdag te schaften had met een ongekende hoeveelheid "logistieke problemen", was ook zij te laat, waarop Tjitske Jansen de bühne betrad. om ons mee te voeren naar andere oorden. Naar "een land van vriendschap" om met haar geliefde "een draak" te "verslaan". Ach, ik kan zinsnedes citeren zo veel ik wil, maar dat heeft geen nut. Gedichten van Tjitske moet je in zijn geheel lezen/horen. De subtiliteit zit 'm niet zozeer in de afzonderlijke zinnen, maar eerder in de samenhang; de sfeer die steevast schitterend wordt opgebouwd, schijnbaar speels geschetst, maar ondertussen stiekem vreselijk functioneel voor wat nog komen gaat.

Daar kon wat dat betreft de vijfde en op 1 na oudste kandidaat, Emanuel Lorsch, nog wat van leren. Het waren geen onaardige zinnen die deze dichter te berde bracht, maar wat ie nou vertellen wilde, dat bleef de grote vraag. Over het algemeen viel er geen touw aan vast te knopen. Zijn woorden kabbelden voort als het water van de brede rivieren, met het verschil dat je van zo'n rivier tenminste nog weet waar ze naartoe wil. De zesde dichter van de avond, Jaap Montagne, liet daarover geen misverstand bestaan. Met de kater van het 3 oktoberfeest nog in zijn kop, bracht hij een onvervalste ode aan zijn eigen stad (Leiden dus) in dito accent en bovendien in zijn traditionele tempo; een snelheid waarbij hij Jules Deelder tot stotteraar degradeert. Hij eindigde zijn eerste ronde met een gedicht waarin hij zijn teleurstelling uitte over het gebrek aan nachtelijke levendigheid op het Amsterdamse plein dat naar zijn stad is genoemd, "het Leidse plein waar niets gebeurt, het plein der eeuwige leegte".

Dat het grotendeels chauvinistische Amsterdamse publiek vervolgens niet in opstand kwam, onderstreepte de klasse van zijn voordracht. Ook de zevende deelnemer, tevens de oudste van het dozijn, Guillaume Pool (ver in de 70) droeg in zeker opzicht niet onverdienstelijk voor. Professioneel enthousiast declameerde hij een "pamflet van een natte droom" en repte hij over "het zuiver ritme van ruïnehopen". Guillaumes poezie was zeker niet de minste van de avond, maar ook niet wereldschokkend mooi. Naar mijn smaak althans. Gedichten waar weinig op aan viel te merken, vakkundig geschreven, maar ik miste in de woorden de bezieling die zijn voordracht suggereerde. De laatste dichter uit het tweede blok was Tom Singer, artiestennaam Tom Pel. Tom stond volkomen relaxed op het podium. Misschien net wel iets te relaxed. Zijn articulatie deed vermoeden dat hij een stevig slokje achter de kiezen had. Dat nam niet weg dat hij het publiek in zijn welbekende korte vlotlopende rijmende zinnetjes wederom op grappige verhaaltjes trakteerde. Het is net geen light-verse (een overigens ondervertegenwoordigde categorie die avond) wat Tom maakt, maar het zit er dicht tegen aan.

En het is altijd prettig, voor zowel publiek als jury, om tussen alle zware poëtische verhevenheid door, eventjes ongegeneerd te mogen grinniken. Niet voor niets was Tom in februari een van de weinige kandidaten die het afgelopen seizoen zowel de jury- als de publieksprijs in ontvangst mochten nemen. De eerste deelnemer van het derde blokje, de Rotterdammer Rijn Vogelaar, heeft dat in verleden ook eens gepresteerd. En opnieuw was hij deze vrijdag weer zeer op dreef. Met merendeels versgeschreven materiaal etaleerde hij zich wederom als een van de groten als het gaat om ongekunstelde vormvaste poëzie. Gedichten bovendien die een breed scala aan onderwerpen beslaan. Zowel de bekende grote thema's als de alledaagsheid van het bestaan; het komt allemaal voorbij tijdens een optreden van Rijn. "Word zwerver, of word frontsoldaat, maar word geen verliefde dichter", waarschuwt hij in een van zijn gedichten. Rijn is het in zekere zin alledrie. Persoonlijk werd ik geraakt door "Voorbij" waarvan de laatste 4 zinnen luiden :
"ik geloof niet dat je wist met hoeveel ze waren
je sloeg om je heen maar je had geen verweer
het is nu voorbij, na de jeugd en de jaren
is de vriendschap van eeuwig naar altijd niet meer"

Nummer tien op de lijst was Larissa Verhoeff. Net als Jaap, Guillaume en Annemarie in de Grande Finale gekomen dankzij een "wildcard" van de organisatie (gedurende de zomerstop vinden er geen poëzieslagen plaats, waardoor er ruimte is om de selectie van maandwinnaars aan te vullen met dichters die volgens de organisatie onterecht van winst verstoken zijn gebleven). Larissa is eigenlijk liedjesschrijfster, fan van Annie MG Schmidt en wie haar poëzie hoort, zal dat niets verbazen. Ritmisch zit het lekker in elkaar, de teksten zijn toegankelijk en vormen veelal (korte) verhaaltjes met een kop en een staart. Er is niet of nauwelijks sprake van "boosheid", en als die er toch is (zoals in het gedicht "consumptie-bonnen", waarin Larissa een klein sneertje weggeeft aan het adres van poëzie-avondorganisaties in het algemeen en Festina Lente in het bijzonder), dan wordt deze later weer vergoeilijkt (het gedicht eindigt met "ik ben nog nooit zo blij geweest"  nadat ze de publieksprijs blijkt te hebben gewonnen in datzelfde Festina). En zoals bijvoorbeeld het "Albert Heijn"-gedicht van Tom Pel steevast bij iedereen blijft hangen, zo heeft ook Larissa haar "evergreen" met "de trein van kwart voor 2"; het verslag van een penibele treinreis door Noord-Holland.

Dichter nummer 11 was, mocht u hem al gemist hebben, inderdaad, Bernard Wesseling. Mr Festina himself. Hij begon met "Lied van de oude stratemaker"; mocht het een schilderij betreffen dan zou ik hier spreken over een typische "Wesseling" in de traditie van de serie "Ome Cor", hoogstwaarschijnlijk gebotteld uit zijn jeugdervaringen in de arbeiderswijken van Amsterdam-Noord. En zo zou ik nog uren door kunnen schrijven over deze Noord-Hollandse meester (want een schilder is het, een beeldend kunstenaar met woorden), maar voordat ik mezelf helemaal verlies in de rol van Bernard-fan, kan ik wellicht beter herhalen ik wat ik eerder over hem schreef : "een van oorsprong ruwe diamant die steeds geslepenere vormen aan begint te nemen (september 2001) en "tevreden konden zowel publiek als jury constateren: Bernard is nog altijd Bernard, en als ie het niet meer is, dan is ie hooguit nog beter geworden" (september 2002). Ik sluit me in deze graag opnieuw bij mezelf aan.

Inmiddels was ook Annemarie Estor gearriveerd en aan haar was het de eer om de eerste ronde te besluiten. Dat deed ze met verve. Ongegeneerd serveerde ze het publiek splijtende erotische poëzie. Zoals altijd voorgedragen met een stoïcijnse blik en een zo monotoon mogelijke stem, wat de plastische zinsnedes een extra spannende lading geeft. Niemand die met een stalen gezicht zo smerig en tegelijkertijd prachtig "als slakken op mijn rosbief" kan declameren als Annemarie Estor. En dan heb ik het nog niet eens over haar tweede gedicht, "Heuveltjes", waarin ze klaagt over mannen die haar niet goed inschatten, vanwege haar bescheiden boezemomvang. Schaamteloos verzucht ze dat de heren niet zien hoe geil ze is. Voorwaar een opluistering voor al uw ingeslapen poëzie-evenementen dames en heren programmeurs, zou ik willen stellen.

Over het vervolg van de avond zal ik kort zijn. In de tweede ronde kwamen alle dichters en dichteressen nogmaals aan bod en lieten ze wederom zien waarom de populariteit van podiumpoëzie nog altijd groeiende is. Daarna was het eerlijk gezegd onmogelijk om als jury uit dit dozijn een tweetal te kiezen dat er significant bovenuit stak. Zelf had ik zo'n zeven mensen op mijn "short"-list staan en de lijstjes van de andere twee juryleden vertoonden vergelijkbare lengtes. De overall kwaliteit van het deelnemersveld draaide discussie op dit criterium bijna als vanzelf de nek om. Bij een dusdanig hoog niveau is objectieve vergelijking een illusie. Uiteindelijk kwamen we tot een finale tussen Bernard en Tjitske. En hoewel poëzie op deze hoogte nooit meer een wedstrijd kan zijn, presenteerde woorvoerdster van de jury, Diana Ozon, het publiek ten slotte toch een winnaar. Of een winnares moet ik eigenlijk zeggen: Tjitske Jansen. Helemaal onderaan dit dubbelverslag kunt u een van haar schitterende gedichten lezen. Maar niet voordat ik besluit met te vermelden dat de aanwezige toeschouwers eveneens hun stemmen mochten uitbrengen. Zij deden dit in de meeste mate op Maarten Das. En eerlijk is eerlijk, daar kan ik zeer goed mee leven.
Sven Ariaans.

Winnares juryprijs Grande Finale 4 oktober 2002 : Tjitske Jansen

Een draak verslaan
met de vriend
die me nooit zal verraden.
Op paarden gaan we.
Of zonder paarden,
dat mag ook.
In dit land van vriendschap
hebben we geen paarden nodig.
Langs rivieren gaan we.
Door een landschap
dat ons uitnodigt te wijzen:
Kijk, daar liepen we net,
kijk, daar gaan we naar toe!
Door de stad desnoods.
In dit land
is ieder landschap goed.
Een draak verslaan,
alleen de poging al.
En wij houden van elkaar,
zoveel, dat het niet erg is
als we het niet winnen.
Maar waar, o waar,
vinden we draken.