Amsterdam dinsdag 16 januari 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








Verslag poŽzieslag di 3 december 2002

Verslag door dichter/jurylid Sven Ariaans
We schrijven thans zondag 22 december 2002, bijna drie weken na de gedenkwaardige derde dag van deze maand. Op deze dinsdag die vooraf ging aan 's Neerlands grootste rijmfeestje, Sinterklaas, betrad een dertiental dichttalenten de planken van Festina Lente om uit te vechten wie zich de winnaar van de vierde Poëzieslag van het seizoen 2002/2003 zou mogen gaan noemen. En hoewel ik mij dus rijkelijk laat aan de verslaggeving waag, kost het me weinig moeite om sfeer en inhoud van de desbetreffende avond uit mijn geheugen op te diepen, want er kwamen nogal wat podiumpoëten voorbij die een allesverpletterende indruk achter lieten. Het niveau was ongekend hoog.

Niet dat zulks direct het geval was bij de dichter die het spits afbeet, Remco Bleeker. Deze jonge jongen, die trots door presentatrice Neeltje liet verkondigen dat hij niet door anderen geïnspireerd was, omdat hij zelf nou eenmaal nooit poëzie las, probeerde met rijmdwangmatige versjes het publiek te vermaken. Dat mislukte echter nogal en de zinsnede "onmachtig ieder mens" uit zijn slotgedicht, "Onmacht" kreeg daardoor onbedoeld een voornamelijk autobiografisch karakter.

Want onmachtig was wel het laatste waaraan je dacht bij de tweede kandidaat van de avond, Pom Wolf. Met een emtioneel geladen stem die als vanzelf respect afdwong, bracht deze liefhebber van Jan Arends gedichten te berde, waarvan de (allitererende) titels alleen al, veelzeggend waren. Wat te denken van "Maandag is een meisje" of "Toen je stilte stuurde". Ook de derde dichter, de Perzische Naji Rahim, combineerde zo'n prachtige voordrachtsstem met een beeldende poëtische inhoud, zij het dat Naji het iets filosofischer aanpakte. In zijn gedicht "Tijd" vroeg hij zich af: "Waar heb ik het over? Het is eindeloos; als je wilt kun je lopen door het geheugen van de doden." Na drie minuten was zijn podiumtijd echter om en werden zowel Naji als de rest van de aanwezigen teruggeworpen in de realiteit door Daan Vree, de afsluitende dichter van het eerste blokje. Deze jonge Chinese Amsterdammer serveerde cabareteske poëzie, en repte over bierbommetjes, Nokia's en over "kutten als doodlopende steegjes". Hij deed dit met een intonatie die mij sterk aan Hans Teeuwen deed denken, maar helaas ontbeerde zijn teksten het navenante niveau.

De eerste deelnemer van het tweede blokje, Koen Zeegers, was eveneens een jongeling. Koen droeg poëzie voor die sterk naar proza neigde, en hoewel hij dit deed met hart en ziel, leek het gesprokene voornamelijk voort te komen uit de eerdergenoemde onmacht. Op enigszins aggresieve toon wierp hij in zijn gedicht "Het Leven" vragen op als: "waar zijn we mee bezig?", maar liet vervolgens verstek gaan waar het uiten van eventuele inzichten betrof, laat staan dat hij toe kwam aan het geven van mogelijke antwoorden. Wellicht dat hiervoor een tikkeltje meer levenservaring een vereiste is.

Iets waar de zesde poëet, Emile de Smet, getuige zijn grijze baard en haren, wel over moet beschikken. Emile begon met te refereren aan het naderende nationale volksfeest, Sinterklaas. Naar eigen zeggen omdat "het rijmt op gatenkaas". Daarna liet hij zich onder meer nog geëngageerd uit over daklozen in zijn slotgedicht "Sociaal Landschap", maar naar mijn eigen mening helaas niet pakkend genoeg om te beklijven.

Dat was wel anders bij de zevende dichter, de Festina-veteraan Mohs Volke. Terug van (ver) weg geweest trakteerde deze 31 jarige Amsterdamse rasrapper het publiek in de eerste ronde op een enkel gedicht, getiteld "Keuzes". De zinnen begonnen veelal met "ik ben", maar beschreven paradoxaal genoeg niet zozeer hemzelf, maar vooral anderen. Zoals "een pezig lief, waaraan nog geen dichters gestorven zijn". Ook de achtste kandidaat, de 44-jarige Haarlemse Nescio-liefhebber Jan Storms wist een blijvende indruk achter te laten. Hij liet God, de Almachtige en Alwetende, in zijn eerste gedicht twijfelend "hmm" zeggen, om even later in zijn voordracht schijnbaar moeiteloos om te schakelen naar een poëtischer taalgebruik, met beschrijvingen van het licht als zijnde "verend vochtig".

Daarna was het de beurt aan good old Bernard Wesseling. Last minute ingevallen voor een van zijn vrienden, Leon Wevers, speelde Bernard aan het eind van zijn eerste ronde in op zijn voorganger door een gedicht over Nescio te declameren, met onder andere een verwijzing naar diens regel "jongens waren we, maar aardige jongens". Dat was echter niet het voornaamste. Het voornaamste was het eerste gedicht waar Bernard mee op de proppen kwam; "Herfst in onze tuin". Hierin sprak hij onder andere over de teloorgang van het jeugdige uiterlijk; zag hij tijdens een knipbeurt "de manen voor zijn voeten vallen" en hoorde hij zijn vader opmerken "je krijgt een mannenhoofd". Zoals ik het hier noteer, niets bijzonders misschien. Maar Bernard is dan ook geen schrijver van regels. Bernard is een schrijver van gedichten, waar in het begin een sfeer wordt geschetst, een emotioneel kader, waarbinnen vervolgens beeld na beeld volkomen raak is.

Zoals altijd geen geringe opgave om na deze dichter het podium te moeten betreden. Deze ondankbare taak viel de Utrechtse Carolien Kramer ten deel. Ik had Carolien al eerder zien voordragen en ben sindsdien een groot bewonderaar. Ik vond het dan ook zeer jammer dat de voordracht van haar eerste gedicht, getiteld "Vis", enigszins in het water viel. "Vis" is een humoristische, bij vlagen absurdistische, maar tegelijk ook gevoelige tekst, die het best tot zijn recht komt bij een volledige aandacht van het publiek (inclusief jury) en een perfecte timing van de dichteres. Van die ideale combinatie was deze avond echter geen sprake.

Ook de derde deelneemster uit het laatste blokje, de Amersfoortse secretaresse Tineke Slats, had hier mee te kampen. Deze voormalige winnares van de publieksprijs (oktober jl.) bracht een ode aan de vierkante meter, droeg vervolgens een gedicht voor over "geduld" en eindigde met een werk getiteld "schuttingtaal", maar kwam daarbij niet zo goed uit de verf als twee maanden daarvoor. Het valt niet mee om op te treden, zo aan het eind van een zeer sterk deelnemersveld.

Ook Herman van Lunen, eveneens uit Amersfoort, ondervond dat. Wellicht onder invloed van zijn zenuwen droeg deze 38-jarige dichter in een noodtempo voor. En ondanks de zinneprikkelende titels van zijn gedichten, zoals "Hoe Herman zijn maagdelijkheid bijna verloor", met zinnen als "mijn vleesloze bilnaad", plastische uitdrukkingen die doorgaans toch altijd goed zijn voor een paar fronsende wenkbrauwtjes her en der, lukte het hem nauwelijks om de aandacht van het publiek te vangen.

Alleen daarom al alle hulde voor de laatste kandidaat van de avond, Gijs ter Haar, die zulks wel met ogenschijnlijk gemak wist te bewerkstelligen. Boze tongen zouden kunnen beweren dat je moeilijk om Gijs heen kan vanwege zijn uiterlijk; een boomlange goser, tattoos all over the place, die last but not least een Duitse Herder had meegenomen, "Beer" genaamd en van soortgelijke afmetingen, maar dan zou je Gijs zijn poëzie en tevens zijn voordracht hiervan, zwaar tekort doen. Gijs schrijft, wellicht in tegenstelling tot de verwachting die je bij een dergelijk uiterlijk koestert, oerdegelijke vormvaste sonnetten. In dit geval declameerder hij er vier. Over de dood. Uit het blote hoofd. Staccatogestutte sonnetten; ritmisch consequent in cadans. Dit bovendien over de dingen die er daadwerkelijk toe doen en derhalve dusdanig overrompelend, dat er aan het einde van zijn voordracht, na een korte imponerenende stilte, een volkomen terecht oorverdovend applaus losbarstte.

Waarna de jury, bestaande uit de dichter Simon Vinkenoog, redactielid van literair tijdschrift de Tweede Ronde Jos van Hest en rapdichter Sven Ariaans, de loodzware taak restte om uit dit grandioze deelnemersveld een selectie op te maken voor des avonds tweede ronde. Dat hierbij ontegenzeggelijke talenten af zouden moeten vallen was onvermijdelijk. De keuze viel uiteindelijk op Gijs, Bernard, Jan, Mohs, Pom en Naji. Zes dichters, daar waar er gewoonlijk maximaal vijf worden doorgelaten.

Wat zal ik zeggen? Ik zou nog uren door kunnen schrijven over deze derde dinsdag van december. Dat doe ik niet. Want zoals Pom vervolgens dichtte in die tweede ronde: "Na veel water, wordt het water saai". En zoals Bernard dichtte in diezelfde tweede ronde: "van bier wordt het later dan verwacht". En: "je gilde verrast, maar niet ongepast". Het is al laat, vrienden. En ik ben sowieso al veel te laat met dit verslag. Ik ga me beperken tot de heugelijke mededelingen die ik uit het vervolg van de avond kan destilleren. Ten eerste heeft Carolien Kramer de publieksprijs gewonnen. En ik wil bij deze mijn hoop uitspreken dat ze nog eens meedoet, want het is onvergeeflijk dat haar talent niet voldoende onderkend werd door de dienstdoende jury van de avond. De laatste en voordehandliggendste mededeling is die van de aankondiging van de winnaar : Gijs ter Haar. De jongen van: "Wauw, wat zijn die zonnebloemen blauw." Met alle liefde geef ik hem het laatste woord. Wat zeg ik? Het laatste gedicht; de laatste zin.
Sven Ariaans.

De laatste zin
Het gaat me om de laatste zin.
De eerste, tweede, zelfs de derde
brengen weinig meer te berde
dan aanzet zijn tot een begin.
Van wat ik eigenlijk zeggen wil.
Ik heb over alles wel wat te zeggen,
elk woord weet ik te weerleggen.
Het papier is geduldig, lijdzaam, stil.
Tot op het bot schrijf ik mijzelf naakt.
Spreek met de wijsheid van een kind
alsof er verder niets bestaat.
Het deert me niet dat taal vergaat,
of niemand ooit mijn woorden vind,
als de laatste zin maar mijn diepte raakt.
Gijs Ter Haar