Amsterdam zaterdag 18 augustus 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








Verslag poŽzieslag di 7 januari 2003

Verslag door dichter/jurylid Sven Ariaans
"Is performance poëzie?" Deze stelling werd daags na de eerste Poëzieslag van het jaar 2003 gedeponeerd op het forum van de populaire internetpoëzie-site "poetryalive.nl". De aanleiding hiervoor was diezelfde poëzieslag in Festina Lente, waar volgens de initiatiefneemster van de stelling, voormalig deelneemster Wilma van den Akker "veel waarde wordt gehecht aan performance, getuige het aantal druk gesticulerende en woest krijsende dichters dat op de podia verschijnt". Om een reactie uit het forum te citeren : "ha die Wilma, tja ik ben het met je eens, en niet alleen omdat ik gisteren compleet van het podium ben geblazen door wat clowns die klanken braakten (behalve dan de twee finalisten)." Was getekend Laherto. En inderdaad Wilma had zich ook "gisteren bij Festina rot geërgerd aan de genoemde clowns (inclusief een finalist)." Waarop een andere ex-deelnemer, Berelaf uit Eindhoven, reageerde met een gedicht waarin repeterend de zin "de jury van vanavond is een farce" voorkwam. Hij had het naar eigen zeggen geschreven omdat ie "ooit in Festina de tweede ronde niet haalde."


Laat de jury van Festina zich meer leiden door podiumpresentatie dan door de inhoudelijke kwaliteit van de voorgedragen poëzie? Ik zou willen stellen van niet. Maar het is wellicht niet aan mij om deze vraag te beantwoorden, daar ik er zelf maandelijks fungeer als jurylid. Tevens tracht ik op deze internetsite maandelijks verslag te doen van de Festinaslams en zal dit nu ook weer proberen, waar het gaat om de afgelopen zevende januari van dit jaar. Laat ik beginnen met te stellen dat het, net als vorige keer, een avond was van hoog niveau. Een elftal Nederlandse poëten trad aan in de welbekende publieke arena aan de Looiersgracht onder de toeziende ogen en vooral kritisch luisterende oren van de jury, bestaande uit de dichters Simon Vinkenoog, Gerard Beentjes en ondergetekende.

De eerste kandidate die door vaste presentatrice Neeltje naar voren werd geroepen was de 27-jarige beleidsmedewerkster Jenny Pannedekker. Ze begon met het gedicht "een veelbelovende start", dat zijn titel inderdaad eer aandeed, getuige een prachtig beeld over een ongemakkelijk smeulend kooltje in haar jas, maar in de daaropvolgende enigszins korte reeks van vooral saaie gedichten bevestigde ze helaas ook haar eigen achternaam. Eufemistisch gesteld ging het dak er bepaald niet vanaf na haar beknopte voordracht.

De tweede deelnemer, de 34-jarige geschiedenisdocent Coen van den Bergh uit Leiden kreeg het wel voor elkaar om zijn drie minuten vol te dichten. Hij begon echter dubieus met een op rijm gezette oude flauwe mop over een parachutist die tijdens de val zijn parachute niet openkrijgt, al neerstortend een omhoogvliegende man ontmoet waaraan hij vraagt : "heb jij verstand van parachutes?" waarop die ander repliceert : "Nee! Maar jij misschien van gaskachels?" Coen bleek in zijn vervolg vooral een man te zijn van het light-verse in het algemeen en ollekebollekes in het bijzonder. Helaas van het niveau waarbij de oude flauwe grap nog gunstig afstak. En toen was het zover... Toen was het moment daar dat er een "druk gesticulerende en woest krijsende clown" over de planken rolde. Zijn naam was Julius Joker en net als op 5 november 2002 had hij een hoedje meegenomen, waaruit hij vrijwillgers willekeurig briefjes met titels liet trekken, om gevoeglijk het desbetreffende gedicht uit zijn hoofd voor te dragen. Wat zeg ik? Voordragen? Neen, inderdaad, krijsen, gillen en schreeuwen waren toepasselijkere bewoordingen en Julius veroverde dan ook de volledige aandacht van het voltallige publiek. Maar dat betekent natuurlijk niet dat het automatisch goeie poëzie was, die hij declameerde. Het tegengestelde hoeft echter ook niet per se het geval te zijn.

Ik durf te stellen dat met name het vierde gedicht dat uit de hoge hoed werd getoverd, getiteld "inhoud", dat zich spiegelt rond het middelste woord "volledig", ook op papier prima overeind blijft. Even tussendoor weer een citaat uit het forum van Poetry Alive; Ene Ron Hoeks weet te melden : "Allemaal mislukte elvissen, die podiumdichters. En elvis was al mislukt, kun je nagaan" . Wat zal ik zeggen? Kunst, ongeacht of ze nu met een "k" of een "K" mag worden geschreven en los van het feit of ze nou als goed of slecht mag worden bestempeld; zolang ze reacties oproept is er, in ieder geval wat mij betreft, nix mis mee. Laat staan mislukt.

De vierde dichter, de in Festina welbekende rapper Mohs Volke, weet dat als geen ander. Hij bracht deze avond voor de verandering eens geen rapgedichten, maar nietrijmende (doch metrisch perfecte) gevoelspoëzie. Een associatieve trip door liefdesland met als repeterende beginzinsnede "ik ga vreemd". Verrassend en vooral erg prachtig ook. Dat zijn tweede en laatste gedicht uit de eerste ronde eindigde met een enigszins flauwe punchline, "Me Tarzan, you Liane", was hem daarom ook snel en gemakkelijk vergeven. Daarna was het de beurt aan een verse Festinaganger; een jonge jongen uit Amersfoort die zich liet presenteren onder de naam "Niksaandehands". Op zeer overtuigende wijze droeg hij geëngageerde maar tegelijkertijd relativerende poëzie voor, die overliep van de beelden. Vooral het gedicht "52" was naar mijn mening briljant. Zijn zin "wat een heerlijke wereld gaan wij tegemoet" was cynisch bedoeld, maar zo uit de dichterlijke context gerukt, zou ik 'm willen aanwenden om het gevoel te beschrijven dat ik had, terwijl hij op het podium stond. Absoluut een talent voor de toekomst, deze jongen.

Na Nixaandehands mocht Rene Caroliene het proberen. Dit iets oudere talent begon met een palindromisch gedicht dat de voordehandliggende titel "Spiegel" met zich meedroeg. Op zich niet onaardig, maar ik heb een dergelijke exercitie al vele malen kwalitatief stukken beter uitgevoerd zien worden door anderen. De kunst is om de vorm een toegevoegde waarde te laten geven aan de inhoud en dat is nou precies waar het bij Rene aan ontbrak.

De zevende deelneemster, Saskia, een 26-jarige studente uit het dichtersdorp Bergen (NH), gaf meer reden tot vreugde. "In de vensterbank stuiptrekt een tulp", declameerde ze onder andere, en als je dergelijke beelden uit je pen weet te laten vloeien, dan heb je iets in je mars. Het was wat dat betreft jammer dat ze zichzelf qua thematiek nogal beperkte. Het waren louter miniatuurtjes, lieflijke indrukjes van een jong meisje dat net is gaan studeren in Amsterdam, waarmee ze op de proppen kwam. Op zich nix mis mee, maar een algehele betovering bleef helaas achterwege.

Die bleek te zijn voorbehouden aan de achtste kandidaat van de avond, Sieger Baljon, net als Niksaandehands afkomstig uit Amersfoort en evenzo jong. Hij begon met "Tweelinkje"; een gedicht met een prettige overdosis aan alliteraties en eindigde de eerste ronde met het schitterende, subtiele en actuele rapgedicht "Kinderen van de woestijn". Waarin bijvoorbeeld zinnen als "kunstlicht dat de sterren bleekt, geen onschuld, geen onverwarde blik", maar het ging bij Sieger, behalve om de zinnen, ook om de hypnotisering middels het ritme, om de overrompelende wijze waarop hij zijn woorden de weg had gewezen: die van de winstgevendste weerstand. Bij vlagen regelrecht geniaal. En net zoals ik verleden keer betoogde: het is een enorme opgave om na een dergelijke gigant het podium te moeten betreden. De vorige keer was het de Utrechtse Carolien Kramer die in de kruitdampen van Bernard Wesselings voordracht moest opereren en daarvan het onterechte slachtoffer werd, ditmaal was het Laherto die de dupe werd van de donderslag die Sieger Baljon had uitgedeeld. Laherto noemde Lucebert, Lodeizen en Ginsberg als zijn favoriete dichters, maar schrijft vooral in de traditie van de twee eerstgenoemden. Poëzie die je toch vooral nog eens wil nalezen. Welnu dames en heren, dat kan. Op poetryalive.nl vindt u alle gedichten terug die hij heeft voorgedragen in de eerste ronde van Festina. Het Java-eiland, LOI, Rosse Woordenbuurt en Stratenmakerstango.

Om met dat laatste gedicht te spreken: "de stratenmakerstango is steengoed ritmisch walsen, passie vol en ook wat lomp, plaveien keien visionairs". Laherto schrijft in zekere zin zoals Sieger ten uitvoer brengt. Om terug te komen op de Wilma's stelling "Is performance poëzie?" Ik heb in het forum betoogd van niet. Maar toch, als je op een slampodium staat en je wilt dat je naar de volgende ronde gaat, dan kan het geen kwaad om je relatief toegankelijke poëzie uit te kiezen en die passievol voor te dragen. Een tikkeltje meer Ginsberg zou wat dat betreft voor Laherto al genoeg kunnen zijn. Tegelijkertijd besef ik, en hopelijk iedereen met mij, dat het ook in Festina uiteindelijk niet gaat om het winnen.

Het doel van de Festinaslams is om ontluikend dichttalent een podium te geven en daarnaast een zo groot mogelijk publiek. Er worden totaal geen toelatingseisen gehanteerd opdat aan die eerste doelstelling tegemoet wordt gekomen, de wedstrijdvorm is bedoeld om de tweede te bewerkstelligen. Als bonus voor de deelnemende dichters is er ook nog eens een (ahem) vakbekwame jury aangesteld die tracht om opbouwende kritiek en/of zinvolle feedback te geven, waarmee de bewuste poëten desgewenst hun voordeel kunnen doen. Iemand die dat zeer vruchtbaar gedaan heeft, was de tiende kandidaat, Leon Wevers. Leon heeft al diverse malen meegedaan, het ook al eens geschopt tot de tweede ronde, maar de kritiek luidde steevast dat hij nog net iets meer moest schrappen. En zag hier het resultaat : "Alles Leeft". Leon heeft een onvervalste evergreen weten te scheppen die zich moeiteloos kan meten met het betere werk van bijvoorbeeld Bernard Wesseling. De eerste ronde werd afgesloten door de oude ouwe bekende Emile de Smet. Wijze woorden van een poëzieliefhebber pur sang die eindigde met de zin "Beeldjes hebben groot gelijk, altijd".


"Is performance poëzie?" Nee, natuurlijk niet. Uiteindelijk gaat het, zoals Emile de Smet aanhaalde, om de beeldjes. Om de inhoud. De jury had derhalve 9 van de 11 kandidaten op de "shortlist" staan voor de tweede ronde. Maar er mochten er maar vijf door, dus er moesten, zoals het de moderne politiek betaamt, simpelweg wat koppetjes rollen. De gezichten van Leon, Sieger, Niksaandehands, Mohs en Julius bleef dit veroordeelde verscheiden vervolgens (vooralsnog) bespaard. Echter niet zonder dat tegen die tijd de drie juryleden bijkans elkaar van het hoofd hadden beroofd. Maar zoals Niksaandehands in die tweede ronde dichtte in zijn gedicht "Porno": "Ik waardeer openheid, maar dit gaat te ver", ga ik daar integer als ik ben, verder niet over uitwijden. Net zomin als ik al te veel ga zeggen over de rest van avond. Enkel dit nog: De finale ging uiteindelijk tussen Mohs en Sieger. En tsja... Hij deed het weer... De jongen in wiens naam de overwinning al besloten lag, overrompelde ons opnieuw. En al is hij geen volbloed papierpoëet en al is spellen niet zijn sterkste kant, ik ben blij hem integraal aan u te mogen presenteren onder de inmiddels door hemzelf verkozen achternaam Baljon.
Sven Ariaans

handzaam
handzaam word ik langzamerhand
verkeerd verteerd in de blauwe zee
die in mijn hoofd tot levensgroot wordt opgeblazen
in de exstasefase blazen daze phrasen door mijn verdwaasde breinkwabben
zoals machines blazen of landschappen razen wanneer treinen hen openrijten
ik zeg: splijten die hap! Snap de grap niet, en ik wil hem ook niet snappen
de climax is allang anti en ik in eerste instantie ook wel snel
maar ik streef naar balans en dans me ongans
breek! breek! door je fake kans op lege rans...
de oogst van akkers vol maskers glanzend in de felle zon,
terwijl ik op balcon 49a mijn huid rooster en
proester met bek vol oesters om assepoesters lot,
alles, alles, alles gaat kapot, het leven verrot, het lot snort van genot,
en om zotte klevende teven leven te geven
stevenen we zonder schaamte af op geraamtes
waarboven raven zich laven aan de zilte lucht
beducht en onbekwaam strekt! strekt! mijn hand zich uit
en plukt al wat groeit in het nog natte glazen gras dat was
onverteerbaar begeerbaar groeit door mijn brein en zijn het onkruid
en terwijl de dwaas in de zon luit en de man van beton lont ruikt
zit ik hier in een klein hoekje zonder diepere betekenis...
hoe vaak nog moet mijn gezicht zich zo vol overgave
uit het bekende brute slikslijk trekken, en doorgaan, doorgaan, doorgaan,
tot mijn in wanhoop gedrenkte extase de vruchten afwerpt
waarnaar ik niet eens dorst te verlangen
gun ik deze bloeddorstig hemelse hel de dwazen wel
dit pad zo glad zo zonder einde, ja zelfs zonder pad?
een aarzelend ja, ja...


Een opengeestelijke krisis met besef van de keerzijde van,
liever dat dan die wegwerp die schijnvrijheid die vampiersystemen
met bloeddoorlopen gamma-fundamenten van tropisch oud-en-teak
och natuur, waar ben je in deze wouden zooi, de gouden kooi, wacht op mij...
Maar nee, de natuur pakte zijn koffers; weg uit de stad,
weg van waar ze haar niet kunnen herkennen,
haar compenseren met aftrexels
derdehands getuigen van onderweg verloren bagage
de leegte verdrinkt in de verdrongen leegte
Niet eens wetend wat er mist, slechts het vage onbehagen vermoedens,
troostende gedachten dat het elders nog veel erger is
waar ze alleen elkaar nog hebben, en hun dromen
de export van onze verdraaid veel verleidelijker armoe
onderneemt onderwijl onverdroten de uitholling van de wereld
met een zelfvervullende profetie: geluk in de uitverkoop
geluk in pilvorm op recept of via infiltratie in kringen natte kringen
natte vriendenkringen op het tafelblad van de verdorven stad
legt men lijntjes met hun pinpas en snuift stront door opgerold geld
geluk in de etalage als met liefde verzekeringen huidproducten
en sex verkocht wordt men verknocht aan het ophopen opkopen
van zogenaamde voorwaarden voor geluk
blind voor het geluk dat zich onder elke steen bevindt
er zijn landen waar ze geen jokers nodig hebben om te lachen
geen porno om lief te hebben, geen chatbox om kontakt
geen kont, takt-, alleen heilige gestoordheid,
en we beuken we slaan met onze vuisten op de plexiglaskondomen
tussen ons en tussen ons en de demonen en tussen ons en de dromen
en we leren op tv wat onder geluk te verstaan en verstaan we elkaar nog
ik schreeuw daar waar anderen zich neerleggend fluisteren omdat ik misschien te veel om dwaasheid geef, en mezelf kan ik niet kan ik niet uitschakelen
en lang leve dit land, lang leve de hollandse huichelaars, handelaars,
dominees en piraten die praten met huicheltoon, hoon, niet dom ineens
maar enkel als het loont, maar ondanx Domela's
die niet schuwen hun handige laars in die vuige handel-aars te planten
verzandt men vaak in middelmaatgepraat
en ons zaad verslapt als in de nada-nadagen van Rome
is het een nada-gen, sinistere nihilistische cynici scheppend
daar ja daar waar men alles al heeft?
Vandaar dat men blauwhelmen uitlacht in de straten van
Mogadishu en Srebrenica en KabulkabulkabulkabulkabulŠ
en breng hen die de hel doorgaans zo dagelijx doorgaan
aan het getaande verstand geplant de griezelige gruwel
die vrijheid en beeldschermleugens zo zonder hemel of hel
kunnen vormen in com-bi-nazi een natie van angstige burgers
zo vatbaar voor terreur waar geen verzekering tegen afgesloten kan worden
is de wereld veranderd na de val der tweelingtorens
waarom dan niet na de vorige slachting?
zijn drieduizend tweelingtorenbewoners dan twee keer zo dood
als driemiljoen stervende Soedanese zieken door Amerikaans
medicijnfabriekbombardement mentholsnoepjes mental confusion
heeerlijk, leven in een soap-bel,
zoöp-belminuten ingezeepte latexhoeren op een willekeurig feestbeest
met tien hoorns van negentiende-eeuwse telefonen op het zessenzestigste net
babbelbox boxring sabbelring wingdings kop-in-het-zand
warme gloedvocht over mijn voeten spoelend schuimend duimen brekend
blijvend stekend onwetend onvergeven en alles wat ik ooit bereiken zal zal
over duizend jaar weggespoeld zijn als zompige stappen in de vloedlijn,
lijnen we voor liefde of voor het wereldvoedsel?
Oh got wat geëngasjeerd, belerend subtili-iel-ontberend
bij gebrek aan ontberingen zet ik de verwarming uit en de tv aan,
banaan orgaan orgasme fantasme teletubbies op mescaline; "Uit."
Tussen gedachte en actie liggen 40 zenders 4x kreeftskeerkringen
op het tafelnat in mijn glas, warm glas, verdacht warm glas
plexibele duivels likken aan mijn aarsje
feel-good-movies en zelfbevlekking achter de schermen
in zwermen zoeken we langs kermende zwervers en herders
feestend vergetelheid, beestend schuimkragen glasscherven en afgetikte as
verplaatst men zich over het straatlicht in naam der nacht. Rust.
Ik sta op. Zes uur 's ochtends.
Vogels fluiten toch anders nu dan met benevelde kanis wankelsleutels zoekend. Mooie wereld. Simpel. Koud, maar toch fris.
Ik stap het balkon op, adem een koele zon in
en drijf tevreden in gelukzalige wanhoop.
En de rest? De rest is stilte.
Sieger Baljon