Amsterdam dinsdag 16 oktober 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








Verslag poŽzieslag di 4 februari 2003

Verslag door dichter/jurylid Sven Ariaans
Het is vandaag dinsdag 25 februari 2003 en gevoeglijk exact 62 jaar geleden dat in Amsterdam de heroische februaristaking plaats vond. Iets minder lang geleden, 3 weken terug om precies te zijn, betrad een ander soort helden de planken van Festina Lente. De reden dat van deze laatste gebeurtenis nu pas verslag van wordt gedaan, heeft te maken met de opdracht tot het schrijven van een gedicht over diezelfde februaristaking. Ik hoop dat u begrijpt dat ik deze missie heb laten laten prevaleren.


Niet dat 4 februari 2003 geen gedenkwaardige dag was. Integendeel. Onder het toeziend oog van een driekoppige jury, bestaande uit dichter Simon Vinkenoog, dichter en poëzie-docent Gerard Beentjes en rapper/dichter Sven Ariaans, streed een tiental kandidaten(-koppels) om de winst van de 52e editie van 's Neerlands langstlopende Poëzieslag. De eerste deelnemer die het podium besteeg was een oude bekende: Willem Adelaar uit Eindhoven. Na een inleidend gedicht met de titel "Zeg, Adelaar", nodigde hij collega Eindhovenaar Jacques Hoek uit om gezamelijk "Carnaval boven Eindhoven" voor te dragen. Een schitterende sfeerimpressie van het onnavolgbare volksfeest. Een "kakafonie in canon", waarin "de hemel zich telkens weer verkleedde". Daarna was het de beurt aan Leon Wevers. Leon moest later die avond optreden in Paradiso, maar dat weerhield hem er niet van om onder het motto "Vertrouw op het goede, gebruik de liefde als wichelroede" een paar in potentie prachtige gedichten te declameren. Het zou echter geen kwaad kunnen als hij zijn zelfgeschreven zinsnede "je zult moeten vliegen en niet zo zweven altijd maar" ter harte zou nemen. Het is niet altijd even duidelijk waar hij naartoe wil.

Dat was bij de derde kandidaat, of beter gezegd het tweede duo, wel anders. De Woorddansers, bestaande uit de Rotterdammers jeRoen Naaktgeboren en Arie Hordijk, lieten er bepaald geen gras over groeien. Met perfect synchroon uitgevoerde voordrachtspoëzie sloegen de "woordenaars van Pim Fortuyn" in als een bom. Hun werk staat bol van de knipogen naar de Maasstad in het algemeen; "alle soorten water, maar uiteindelijk weer open zee", en Feyenoord in het bijzonder: "Ze roepen: "Rotterdam, kankerstad, in de oorlog lag je plat!" waarop wij dan weer reageren met "Hamas, Hamas, Joden aan het gas!"". Je moet het maar durven debiteren, zo in het hartje van de Jordaan. Dat ze er mee wegkwamen zegt eigenlijk al genoeg. Ze hadden het over "flinterdun vlinderend vloeipapier". Flinterdun? Neen. Vlinderend en vloeiend? Jazeker. En sowieso: wie dubieuze hooliganteksten intelligent integraal weet te integreren in zelfrelativerende maar bovenal zinderende, vlinderende, vloeiende poezie, moet wel van goede huize komen. Daden met woorden, zou ik derhalve willen roepen.


De laatste deelnemer van het eerste blokje, de 43jarige Amsterdammer Erik Schmidt, mocht zelfrelativering helaas niet tot zijn voornaamste vaardigheden rekenen. Al in zijn eerste zinnen ontpopte hij zich tot een gefrustreerde vrouwenhater met een dubieus eendimensionaal versje getiteld "afgelikte boterham". In een van de daaropvolgende gedichten ambieerde hij te schrijven als Gerard Reve en te leven als Herman Brood. Ik begrijp dat hij daarbij niet de reeds ontzielde Brood bedoelt, maar los daarvan hoop ik voor Erik dat hij gelooft in reincarnatie.

Over het tweede blokje van de avond ga ik kort zijn. De daarin optredende deelnemers, te weten Michael Wahlen, Stefen O Prinsen en Bertine Maas, waren alledrie niet echt tenenkrommend slecht te noemen, maar om nou te zeggen dat er ook maar een strofe uit hun mond kwam, die het werkelijk verdient om hier op papier herhaald te worden: neen. Het was vlees noch vis. Misschien dat u filosofisch kunt wegdromen bij phrasen van Betina als "waar ik je pel, schil ik de tijd", of dat u kunt grinniken om flauwe nietszeggende rijmende zinnetjes van Stefen als "Ik wip je, was ik maar je slipje", maar mij is zulks helaas niet gegeven.

Ook de eerste deelnemer van het derde blokje, Frans Veer had dergelijke zinnetjes in zijn repertoire; "deze meid is naar de haaien, we hadden haar gisteren nog kunnen naaien", maar het verschil met Stefen was dat Frans ze wist te plaatsen in een dichterlijke context. Ze kwamen niet uit zijn eigen mond, maar uit die van de kustwacht aan de Costa del Sol, waardoor hij in de zinnen eromheen, trouw aan het motto dat hij voerde ("pak het goed in, dan pakt het goed uit") zijn eigen, poëtischere visie kon etaleren. De negende dichter, de Hagenees Wim Akkermans, had een zware avond. Ten eerste was, zo beweerde hij, zijn tas met gedichten gejat. Ten tweede was wat hij vervolgens voordroeg uit zijn blote hoofd (daarvoor overigens niets dan lof), nou niet bepaald om over naar huis te schrijven. "Zij slaat haar ogen open, hij slaat ze weer eens dicht". Ik ben benieuwd of de dienstdoende dief daarom gelachen heeft. Maar een moment van zelfherkenning zal de snodaard zeker hebben beleefd bij een ander citaat van Wim: "traag stroomt de modderrivier en wat ie tegenkomt dat neemt ie mee." Om na het zeven van de buit te constateren dat het hier een nonvanst betrof. Of om een eerder citaat van de Woordansers te citeren: "Alle soorten water, maar uiteindelijk weer open zee". Pareltjes scheppen is nou eenmaal niet voorbehouden aan de grote riolen.

Wat dat betreft had de dief beter de tas van de laatste kandidate en praktisch naamgenote Wilma van den Akker kunnen ontvreemden. Wilma, u wellicht nog bekend als de initiatiefneemster van de stelling uit het vorige verslag "Is performance poëzie?", startte met een reactief gedicht: "Ik rap/rep niet", dat begon met de zin: "Ik zeg geen kut, lul of neuken godverdomme!". Ze stond met haar "theezeefje onder de vrachtwagen die vuil uitstort" en verdomd, zij wist het op die manier wel voor elkaar te krijgen om dat pareltje te scheppen. Het bezorgde haar uiteindelijk een finaleplaats. Een finale waarin ze het mocht opnemen tegen de Woorddansers. Maar dit pas nadat ze eveneens de tweede ronde had overleefd waarin Willem Adelaar verzuchtte: "ik hoef geen slaven, ik wil alleen maar koningen om me heen", en "ik denk niet meer, nu alles zich laat zien", en waarin Frans zei "deze wereld te verdragen" omdat hij zich "er volledig van af heeft gekeerd".
Het was een ongelijke strijd, die finale. Ergens. De integere tevenover de expressieve agressie. Wilma tegen de Woorddansers. '41 tegen '03. Die avond won deze tijd.
Sven Ariaans

Dwang is de gang
en rent door de straten
Dwang is de drang
van niet meer en steeds

Dwang is de hendel
met ogen van zilveren
Dwang is een fonkeling
in een weerbarstige keel

Dwang is het staren
naar fluwelen vrouwen
Dwang is de nacht
als extatisch theater

Dwang is de macht
tot het doden van joden
Dwang is de schreeuw
in een bodemdiep meer

 

jeRoen Naaktgeboren