Amsterdam dinsdag 16 oktober 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








Verslag poŽzieslag di 1 april 2003

Verslag door dichter/jurylid Sven Ariaans
"Juichende zalen bij poëzieversie Idols" kopte de Volkskrant op haar voorpagina van vrijdag 21 februari 2003, om in diezelfde editie de complete openingspagina van de boekenbijlage Cicero aan het fenomeen "poetryslam" te besteden. Poëziewedstrijden zijn vreselijk hot op dit moment. Volgens de gevestigde dichtersorde echter, is er sprake van een onterechte hype. De poëtische kwaliteiten van de podiumdichters zouden zwaar tekort schieten; "op papier blijft er niets van over", zo luidt het gevleugelde commentaar. Zelf ben ik van mening dat zowel de media als het gevestigde poëziebastion nog een beetje moeten wennen aan dit in Nederland relatief nieuwe verschijnsel, want al dan niet bewust, overdrijven beide partijen schromelijk. Een doorsnee rockbandje oogst nog altijd een enthousiaster applaus onder de tieners en twintigers dan 's lands grootste podiumpoëten en tegelijkertijd doet het betere werk van deze dichters op papier absoluut niet onder voor het gemiddelde niveau van hun publicerende soortgenoten. Over- en onderschatting kortom, maar vooral een gebrek aan kennis van zaken.

Misschien dat ik daarom zo blij was dat een cameraploeg van het VPRO-kunstprogramma RAM op 1 april j.l. (geen grap) naar Festina Lente (toch min of meer de Nederlandse bakermat) was afgereisd om te filmen hoe het er tijdens zo'n poëzieslag aan toe ging. Wat ze aantrof was een stampvol Jordanees café, bevolkt door een dertiental optredende dichters, een vakbekwame jury (bestaande uit dichter Simon Vinkenoog, dichteres/vertaalster en redactrice van het literaire tijdschrift de Tweede Ronde Ieke Cialona en rapper/dichter Sven Ariaans), een competente presentatrice (Neeltje), rennend en vliegend personeel plus een prettige overdosis aan in poëzie geïnteresseerd publiek. Er kon geen kat meer bij; de zwarte huiskater trok zich quasi verontwaardigd terug op de sigarettenautomaat, alwaar hij ongewild getuige was van een gedenkwaardige avond.


De eerste ronde werd begonnen door een oude bekende; de 22-jarige Utrechtenaar Maarten Das. Hij wist zichzelf zoals altijd direct op de kaart te zetten met een openingsgedicht waarvan de initiele zinnen luidden : "God is gestorven... Stil maar, ik ben hier." Wellicht komt dit op de onbevooroordeelde lezer wat al te pretentieus over, maar geloof me als ik zeg dat Maarten in het vervolg van het gedicht zijn positionering van de lat op zijn minst wist te rechtvaardigen. Een hypnotiserend ritmespel met spannende, soms onheilspellende poëtische beelden, gebracht met een oprecht geëngageerde houding. Voer voor zowel hart als geest, waarvan akte verderop in dit verslag. Ook de tweede dichter van de avond, de 63-jarige Frans Veer, stelde zich maatschappijkritsch op. In zijn enkele gedicht "Nooit" repte hij over concentratiekampen, massagraven en andere ellende, maar helaas wist hij deze thematiek niet boven het eendimensionale uit te tillen. Niet bang voor rijmdwang somde hij reeksen van tragische locaties op. Een repeterend appèl op ons collectief geheugen, met als conclusie een beroep op ons collectief geweten: we zouden lering moeten trekken uit het verleden. Natuurlijk. Maar op verrijkende inzichten werden we niet getrakteerd, terwijl dat nu juist zo'n mooie functie van de dichter kan zijn. Wat ook een leuke, weliswaar plattere taak kan zijn is het aan het lachen maken van het publiek.

Dat was wat de derde kandidaat probeerde; de 40-jarige Amsterdammer Mark, een bombastische light verse dichter. Als motto voerde hij "het is pas de vernietiging die het voltooit" en ik moet toegeven dat hij daar aardig in slaagde. Het ene na het andere vers werd om zeep geholpen door oubollige rijmvondsten, pointes met woorden als kutscheetje en zijn zelfingenomenheid met woordspelingen als "het bruggetje verzuchtte" die hij tot vervelens toe gebruikte en herbruikte in een gedicht over Venetië. Ook de vierde deelnemer, de 32-jarige Amsterdammer Ronalt Oudman, had zich ten doel gesteld om de bulderende lach te oogsten, maar slaagde daar evenmin in, hoewel ik deze dichter een stuk intelligenter ten strijde vond trekken. Het was matig cabaret met uitstapjes naar clichématige en dwangmatig allitererende poëzie: "ze zijn als zeeuwse oesters, zilt en zout zoals de zee", maar Ronalt was tenminste geen regelrechte navelstaarder: "mijn gedichten zijn gedachten, waar geen hond op zit te wachten". En zowaar, de bulderende lach viel hem na deze zin alsnog ten deel.

In het tweede blokje van de eerste ronde mocht de 45-jarige Haarlemse "programmamaker" P.M. Delefre als eerste de planken betreden. Hij startte met het afspelen van een irritant melodietje vanaf zijn GSM om daarna een gedicht voor te dragen over mobiele telefonie dat eindigde met de woorden "iedereen krijgt de beltoon die hij verdient". De dichter zelf kon er erg om gniffelen. Hij vervolgde met een kort prozaverslag over een Haarlems poëziefestival uit 1979 tijdens welke de aanwezige Simon Vinkenoog nog had gefigureerd, gaf wat gefrustreerde veegjes uit de pan ten beste, om te besluiten met een ode aan Chet Baker, die begeleid werd door jazzmuziek uit zijn dictafoon. Ik vrees dat P.M. veronderstelde een wereldoptreden te hebben verzorgd. De poëtische scoremeter was echter blijven steken op nul.

Toch vallen dergelijke voordrachten te prefereren boven die van dichters zoals Frederico. 64 jaar, afkomstig uit Baarle Nassau en vol goede bedoelingen. Van zijn gedichten is me werkelijk geen enkele zin bijgebleven. Obligate poëzie, over alles, maar eigenlijk niets. Niet hondsberoerd slecht, maar ook zeer zeker niet goed, laat staan interessant. Wat dat betreft was het aantrekkelijker om te luisteren naar de zevende kandidaat, de 37-jarige Eindhovense assurantie specialist Adjan van Gils. Een explosieve voordracht uit het blote hoofd en een gebruik van duidelijke taal. Geen geforceerde gewichtigheid in de woordkeuze. Jammer genoeg spreidde hij die wel ten toon in zijn thematiek : koketterie met filosofie in verhaaltjes waar maar weinig touwen aan vast waren te knopen. De achtste deelnemer, de 37-jarige journalist Mario Withoud uit Almere liet over de inhoud geen misverstanden bestaan, getuige zinnen als: "Van mijn vrienden kan je zeggen wat je wilt, maar niet dat het aardige mensen zijn". Een leuk paradoxje hier, een grappig aforismetje daar, maar daar bleef het dan ook bij. Voor het hogere werk op poëtisch humorgebied moesten we wachten tot het derde blokje van de eerste ronde aanbrak.

Hier was de cameraploeg van RAM voor gekomen: een optreden van nationaal slamkampioen Erik-Jan Harmens, direct gevolgd door een performance van de landelijke runner-up Querien van Haelen. Erik-Jan begon met "het is niet moeilijk om een koe te vangen". Wat nou precies zo grappig is aan dat gedicht is moeilijker in woorden te vatten dan diezelfde koe, maar het heeft te maken met het bekwaam bewandelen van de scheidslijn tussen het absurdisme en het wel degelijk iets te betekenen hebben, aangevuld met een perfect getimed taalgebruik; "je rent als een dolle achter het beest aan, drijft het in een hoek en jaagt het een kogel door zijn porem". Op exact het juiste moment verschijnt het ingenieus dissonerende woord "porem" in het gedicht. Of neem een zin uit het tweede gedicht als "ik weet dat ik het gaspedaal moet loslaten als een reiger zich te laat bedenkt zijn vleugels uit te slaan". Het gaat er niet om wat je zegt, maar hoe je het zegt. Combineer die timing en woordkeuze met de militante voordrachtsstem van Erik-Jan en je begrijpt waarom hij nationaal slamkampioen is geworden.

Ook Querien van Haelen gooit doorgaans hoge ogen bij poëziewedstrijden. Onder het motto "a little less conversation, a little more action" begon hij zijn optreden deze avond met "Heavy Metal". Zoals al het werk van Querien een vormvast lightverse-gedicht; goedlopende rijmende zinnen, uitmondend in een rake pointe ("door haar zwaarmetalen piercings is mijn gebit voorgoed verpest"). Nadeel echter van dit soort poëzie, is dat je eenzelfde gedicht niet te vaak moet horen. Ook een goede grap gaat na 3 keer vervelen. Aan de andere kant: tijdens een slam met een vers publiek is dit nadeel niet relevant. Tel daar bij op dat het schrijven van lightverse terecht wordt gezien als een van de moeilijkste exercities en je kan alleen nog maar waardering hebben voor deze nog zeer jonge Limburger.

Na Querien was het de beurt aan Anne Tekstra, een 22-jarige student dramaschrijven uit Naarden. Aan de naam te zien dacht ik dat we voor het eerst deze avond met een dichteres te maken zouden gaan krijgen, maar neen. Ook Anne bleek, net als de rest van het deelnemersveld, van het mannelijk geslacht te zijn. Hij bracht een soort prozapoëzie; oersimpele verhaaltjes opgebouwd uit spreektaalzinnetjes: "ik zie je kijken met een blik van : Tsja". En zo was het. "Laten we snel nieuwe herinneringen gaan maken"; een mooie zin slechts, die hij wat mij betreft ter harte mag nemen. Deelnemer nummer 12, de 19-jarige rechtenstudent Jan Sanders kwam uit Aalsmeer. Hij begon met "maar een wesp", een zeer beeldend en vooral wereldwijs gedicht, zeker voor iemand van zijn leeftijd. Hij gaf te kennen geïnspireerd te zijn door Bob Dylan en Jacques Brel en dat was te merken.

Ook Velpenaar Pim te Bokkel, 20 jaar, student laboratoriumtechniek en de laatste kandidaat van de eerste ronde, bracht opmerkelijk volwassen poëzie. Hier en daar op het randje van het clichematige ("... de zon steeds dieper daalde en de horizon verwondde"), maar dat werd gecompenseerd door de gedrevenheid waarmee hij zijn gedichten voordroeg.

Na dit recordaantal dichters de revue te hebben zien passeren stak de jury de koppen bij elkaar om al vrij snel op de proppen te komen met de volgende vijf kandidaten voor de tweede ronde : Maarten, Jan, Erik Jan, Pim en Querien. In die volgorde. En waar Maarten in de eerste ronde al had getoond dat de eerste klap een daalder waard is, verraste hij ons nu met een ware mokerslag. Met een aaneenkoppeling van twee meesterwerken ontpopte het voer voor hart en geest zich tot een waarachtig poëtisch bacchanaal. "Een pamplet in ABN", een prachtige dosering van de instrumenten ritme, rijm en alliteratie, hier was iemand bezig het begrip engagement nieuw leven in te blazen. En dit alles zonder dogmatisch of demagogisch te zijn. In een woord schitterend en het publiek stak zijn waardering dan ook niet onder stoelen of banken; een oorverdovend gejuich barstte los na Maarten Das' zijn laatste woorden "alles is geschiedenis, maar niets echt ooit voorbij".

Debutant Jan Sanders zag bleek om de neus toen hij na dit toonbeeld van brille het podium moest betreden. Als een gewond dier droeg hij stamelend het korte gedichtje "eenzaam" voor, om vervolgens, nog altijd aangeslagen, terug te vallen op zijn beste gedicht uit de eerste ronde : "maar een wesp". Jammer. Ik had graag nog wat ander werk van hem willen horen. Iemand die wel gewend is aan een stevige dosis competitie is Erik-Jan Harmens. Hij kwam in de tweede ronde dan ook sterk voor de dag met klassiekers als "Rechaud" (met de geniale zinsnedes : "zonsondergang, wat moet ik erover zeggen? O zon? O op?"), "Prei" ("ik zeg: moeder is gevallen. Hij vroeg: wie ving haar op? Ik zeg: het kliklaminaat") en "Tonic" ("telkens als ik een Koninck bestel verstaat de barman Tonic").

Als Erik-Jan er eenmaal de vaart in heeft is ie niet meer te stuiten en ligt het publiek aan zijn voeten. Ook voor Pim, de andere jongeling uit de tweede ronde, voorwaar geen gelukkig moment om na Erik-Jan de publieke aandacht naar zijn eigen poëzie toe te trekken. Toch moet ik zeggen dat hij het er een stuk beter vanaf bracht dan Jan Sanders. Zijn slotzin mocht er in ieder geval wezen: "Ik speel met kleine negertjes trompetjazz in zijn hoofd." De tweede ronde werd besloten door de jongste veteraan uit het gezelschap, Querien van Haelen. Met "Local Hero" in zekere zin een soort grappige poëtische variant op "1 nacht alleen" van Doe Maar en de evergreen "Febreze" ("Febreze, Febreze, dat spul is echt niet mis. Febreze, Febreze en alles ruikt weer fris"), een schoolvoorbeeld van een volmaakt opgebouwd lightverse gedicht, liet Querien zien niet voor niets tot de landelijke top van de podiumdichters te worden gerekend. Genoeg om de finale te halen was het echter niet.

Die ging tussen Maarten Das en Erik-Jan Harmens. In die finale haalde Erik-Jan werkelijk alles uit de kast; elk kenmerk van zijn poëzie werd vol overgave belicht in een set met "Tuinfeest" ("het thema was Winnie de Pooh, dus overal beren"), "Lijk" (een nieuw gedicht waarin ondergetekende op nogal pathetische wijze figureert), "Biefstuk" (met een van zijn ultiemste shockzinnen: "ik werd geacht te huilen, dus dacht ik aan Joden"), "Advance kerk" ("Ik schudde je hoofd van 'nee, doe niet'") en "Trouwjurk". "Elk woord ging een soort van diep" bij Erik Jan Harmens, maar die avond ging de poëzie van Maarten Das nog net even dieper. De aanwezige toeschouwers onderkenden dat en schonken hem de publieksprijs.

Dat de eindredacteurs van het VPRO programma RAM de beelden van Maarten Das eruit hebben geknipt is aan de ene kant begrijpelijk; ze volgden die dag immers de tweestrijd tussen Erik-Jan en Querien. Als in een kort TV-item van 10 minuten plotseling een nog relatief onbekende dichter door het beeld heen komt fietsen, werkt dat wellicht verwarrend. Aan de andere kant is het een gemiste kans, want hier stond een jongen waar wij gegarandeerd nog verschrikkelijk veel van gaan horen. Het grootste talent van zijn generatie en bovendien unaniem winnaar van de juryprijs. Het is dan ook met ongekende trots dat ik hem hier aan u presenteer met het startgedicht uit zijn tweede ronde: de nog altijd onvolprezen Maarten Das.
Sven Ariaans

Schend de portretten
schend de portretten,
het zwart heeft gelijk:
de bonzende nachten zijn nu de onze,
en verven elke stakende zet
van ons stervend schaakspel
als beren op hun beide benen,
op sneakers die stukgaan voordat ze slijten,
op Perzische bommentapijten, danst
het ganse godvergeten volk,
maar welke platte wals of
hetekolenpolonaise
durft godverdomme nog galmen,
welke psalm heeft nog het lef
in deze gala's van gewonden?
in de stank en op de straten
van een Bagdad dat om vergeving bad
verloor uw god op alle fronten
in een scala aan levende lonten
en Al-Jazeera's geknevelde monden
zien zerken verrijzen
waar speeltuinen stonden,
als mosterdgasfonteinen
in de asla van woestijnen,
en Allah's volk in Guantanamo Bay
spelt geweld in blokletters,
dus blaf ik als een hellehond
de horror van Ramallah,
de horror van Ramallah,
de horror van Ramallah,
de knal in de schoolbus
en daarna het walhalla,
en Eva en Adam janken mee,
en elke dove is discipel
van ons knielend koninkrijk,
waarin we duivels eren met biljetten,
de schone sterrenschijn verpletteren,
en scherper dan een vlammenwerper
vleugels leugens leren
in dit digitale bacchanaal,
in deze beeldenstorm van weelde,
als graffiti en champagne
in een fresco zonder franje,
kom ik klaar op worldwide webcams
in een wetteloze wapenwedloop
zonder einde of gebed,
waarmee je stille stenen Buddha's van machinekogels redt
en hartkamer na hamer dendert
door de donderwolken maar
zelfs een stadion fascisten
kan mijn furiën niet kisten,
en elke vluchteling die ploetert
plukt de zoete vrucht van wraak
in de terreur en tirannie die
onze wittehuizenmonarchie
van witgewassen crackmagnaten,
witteboordenmoordenaars
en blanke poëten
verslinden, want
alle wensen zijn kometen,
alle kinderen kunstenaars
met een kleurboek vol granaten
al kennen alleen mijn ogen de oorlog,
met brandende voeten en
meer bloed aan mijn handen
dan de schooiers van Troje
verleen ik de stormende wervels asiel
het hart dat uit de hemel viel
heeft dromen meegenomen.

© Maarten Das