Amsterdam zaterdag 15 december 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








5e Grande Finale Festina Lente 29 mei 2003

Verslag door dichter/jurylid Sven Ariaans
De plek waar het allemaal ooit is begonnen, het poëtische bedevaartsoord Festina Lente aan de Looiersgracht, was op Hemelvaartsdag, alsof Guido Gezelle het zelf had bedacht, getooid met een daverende zonne.
De Grande Finale van het seizoen 2002/2003 had op geen mooier moment kunnen plaatsvinden.

Dit is het verhaal van de lucht die lichtend blauw was, een petite histoire vanaf de beklinkerde aarde, het relaas over de brug bij het verblindende water, een verslag van ontzag voor het vuur dat gebracht werd, door meer dan de natuur nog, de dichters die er waren.


Ik durf te stellen dat deze lustrum Grande Finale (want : de vijfde) zowel qua omstandigheden als in kwalitatief opzicht de beste in de geschiedenis van de Nederlandse podiumpoëzie is geweest. Natuurlijk, het waren sowieso al niet de minste poëten die de brug mochten betreden, maar het is altijd weer prachtig om te zien dat dankzij het typische Festina-publiek de kandidaten boven zichzelf uit lijken te stijgen. Ik heb het zelf vaak mogen ervaren: nergens luistert het publiek aandachtiger. Maar ook: nergens hebben de toeschouwers meer verstand van (podium)poëzie. En voor de meeste dichters is het nou eenmaal prettiger om op te treden voor mensen met kennis van zaken en liefde voor de poëzie, dan voor een menigte die voornamelijk belust is op wedstrijdsensatie.

Het klint als een cliché: "poëzie mag eigenlijk geen wedstrijd zijn", maar het is daarom niet minder waar. Zeker als het veld bestaat uit deelnemers die hun bekwaamheid al eerder onomstotelijk hebben bewezen is het, ook voor een vakkundige jury, in feite onmogelijk om een objectieve kwalitatieve vergelijking te maken. Onvermijdelijk gaat dan de persoonlijke smaak een rol spelen en om die reden had de organisatie het traditionele afvalprincipe dan ook danig gestript en besloten dat alle elf de kandidaten sowieso tweemaal mochten optreden.

De eerste die daarvoor in aanmerking kwam was de welbekende Bernard Wesseling, de nog immer ongekroonde huisdichter van Festina. Het gedicht waarmee hij opende, "Twee studenten", was al direct een van de besten van de hele avond. Niemand die de levens van de gevarieerde melange van hoofdstedelingen beter kan schilderen dan hij. Of het nou om studenten, arbeiders of junks gaat, Bernard laat aan de ene kant zien dat ze in grote lijnen ontzettend op elkaar lijken vanwege hun menselijke overeenkomsten (lees tekortkomingen), maar legt tegelijkertijd hun individuele ziel bloot aan de hand van een combinatie van pregnante details.

Hij bewandelt de perfecte lijn tussen medelijden en vertedering. Een student die tuiniert roept een heel ander beeld op dan een arbeider die tuiniert en Bernard weet dat. En belangrijker: gebruikt dat. Tevens balanceerde hij bekwaam op het randje van de politieke (in)correctheid, wat het geheel des te spannender maakte. Daarnaast schudde hij bij tijd en wijlen wat bombastisch taalgebruik uit zijn mouw: "alles is eenzaamheid in deze harige vacht" (over een wetenschapsaapje dat een ruimtereis ondergaat) en daar trekt hij dan zo'n ironische kop bij, zet een dusdanig vette stem op, dat je beseft dat hier iemand staat die weet hoe je poëzie op het podium een meerwaarde kan geven.

Timing, intonatie, mimiek. Kom daar maar eens om op papier. Maar het knapst blijven toch die beeldende teksten. Bernard gebruikt blikken Euroshopperpils en een over een stoel gedrappeerde sloggyslip zoals een schilder groen en wit vist van zijn palet. De beeldende woordcombinaties zijn als een likje verf, een middel voor het grotere geheel: het schilderij, het gedicht en geen doel op zich.

Dat in tegenstelling tot de tweede kandidate van de avond: Marjolijn Pieks. Deze maandwinnares van oktober 2002 kwam als vanouds met miniatuurtjes op de proppen. Korte gedichten, nog kortere gedachten. Op zich waren ze niet heel erg beroerd, maar het appeal van Marjolijns werk viel in het niet bij dat van de overige kandidaten tijdens deze Grande Finale. Okay, er waren een paar aardige aanzetzinnetjes; "er heerst poëzie in dit vertrek", of: "je droogt op tot foto", maar net als je nieuwsgierig begon te worden naar het vervolg bleek het gedicht al weer afgelopen. Misschien dat ze het zo graag ziet, ik weet het niet. Wat zal ik erover zeggen? Zoals ze zelf dichtte: "als ik een verslaving ben, stop dan".
Bij deze.

De enige andere vrouwelijke deelneemster, Karlijn Groet, deed het een stuk beter. Daar waar Marjolijn bleef bivakkeren op de vierkante centimeter pakte Karlijn breed uit met een grote diversiteit aan thema's. Ze begon met een sfeerschets van de hoofdstad, vervolgde met het maatschappijkritische "bomvol" en eindigde haar eerste ronde met "Glimlach" waarin onder andere de zin "Ik heb de humor nooit kunnen bekoren". In zekere zin ironisch bedoeld, want in de tweede ronde kwam ze op de proppen met een onvervalst lightverse gedicht getiteld "Neuken". Haar echte meesterwerk blijft echter "Kartonnen Kasteeltje". U hebt het hier ooit eerder kunnen lezen, maar voor wie het vergeten is: Kartonnen Kasteeltje is een prachtig gedicht over het creëren van poëzie, dat bovendien zichzelf lijkt te schrijven. Vorm en inhoud vallen schitterend samen, zonder dat het gekunsteld overkomt. Tel daar de beeldende kracht van de titel bij op en je beseft dat je naar een klassieker aan het luisteren bent.

Iemand anders die de combinatie van vorm en inhoud tot in de puntjes beheerst was de vierde deelnemer van de avond, Gijs Ter Haar. Als je Gijs een keer hebt gezien, dan zal je hem nooit meer vergeten en dat komt echt niet alleen door zijn boomlange gestalte die uitwendig voornamelijk uit inkt lijkt te bestaan. Als je hem hoort voordragen, dan ga je vermoeden dat ook inwendig de nodige inkt door de aderen zal stromen, want Gijs is een rasschrijver. De vorige keer schreef ik over zijn poëzie: "Staccatogestutte sonnetten; ritmisch consequent in cadans. Dit bovendien over de dingen die er daadwerkelijk toe doen en derhalve dusdanig overrompelend, dat er aan het einde van zijn voordracht, na een korte imponerenende stilte, een volkomen terecht oorverdovend applaus losbarstte". Dit keer was het niet anders. Beeldend in een sonnet over eenzaamheid; "Ik heb zonet weer met wilde gebaren een sigaret tot bedaren gebracht, en zo gaat de tijd voorbij.", dan weer hoog inzettend tijdens een sonnet over de dood; "Toen God stierf was ik daarbij". Dat laatste ging je bijna geloven.

De vijfde kandidaat, de nog zeer jonge Sicher Hesselink/Baljon droeg net als Gijs ter Haar voor uit het hoofd, maar deed dit bovendien met de nodige lichaamstaal. Met drukke, bijna paniekerige gebaren zette hij zijn woorden kracht bij. Woorden die struikelen, buitelen, maar ook overrompelen op de weg van de winstgevendste weerstand. Okay, niet alles was even sterk; afentoe net iets te voordehandliggende woordspelingen en/of omdraaingen; "inzicht in zicht", "ik herinner me het vergeten" of het gedicht "Uitgaan" waarvan de openingszin luidt "de joint was uitgegaan", maar daar staan zinnen tegenover als "Onze cellen zijn babbelaars, onze zielen gehuchten" en, uit het prachtige "kinderen van de Woestijn": "kunstlicht dat de sterren bleekt, geen onschuld, geen onverwarde blik." Een onstuimig talent. Sicher komt er wel.

De zesde dichter, Babak Amiri, straalde in tegenstelling tot Sicher, de rust zelve uit. Babak is de meester van de relativering. Niemand kan met zo'n uitgestreken gezicht de microfoon ter hand nemen om vervolgens doodkalm te zeggen: "hier ben ik weer om de wereldproblemen op te lossen." Hij opende met het gedicht "Dronken", waarvan elke zin begon met "dronken". "Dronken heb ik voor cynisme gekozen, cynisme mijn eigen paracetamol". Het daaropvolgende gedicht was getiteld "Dronken". En hij besloot met, u raadt het al, "Dronken". Om ten slotte te eindigen met "Maar dit allemaal heb ik nuchter ook gehad". Relativering, ik zei het al. En dit alles in heerlijk toegankelijke bewoordingen. Filosofie zonder opsmuk. Tegelijkertijd droogkomisch engagement. Bij vlagen geniaal.

Een geheel andere vorm van engagement werd gebracht door Maarten Das. Hier nauwelijks plaats voor relativering, laat staan humor. En dat klinkt misschien negatief, maar het tegenovergestelde is het geval. Maarten Das is een prediker, een boodschapper en hij heeft groot gelijk dat hij de boodschap die hij brengt niet afentoe tackelt. Daarvoor is het onderwerp te serieus, de boodschap te belangrijk. Om het voor het publiek toch verteerbaar te houden grijpt Maarten naar een ander middel dan zelfreflectie of grappenmakerij, namelijk de taal zelve. En hoe! Het boeit omdat het in overvloed vloeit, het bloedt en het bloeit, betoverend broeit in een oven die gloeit op kool die groeit tot geweldig geweld van werkende woorden tot het werkelijk geweld uit is geroeid. Met excuses voor deze bombastische opsombom, ik besef dat ik Maarten toch niet kan imiteren, maar ik weet ook niet hoe ik het anders moet zeggen.

Hoe deze jonge dichter te omschrijven, die over zichzelf zegt: "zelfs een stadion fascisten kan mijn furiën niet kisten"? Die het heeft over "engelen geboren/in kleren van klei,/uit een kogelvrij nest/uit precisieprotest", die rept/rapt over "de blitzkriegballades/en de hiphopserenades/en de Internationale/en de blues van de jihad/en de guerrilla van de gieren"? Zo dus misschien. Met zijn eigen woorden. En waarempel. Als je die laat spreken dan blijkt er toch nog sprake te zijn van relativering, want "er is nog hoop voor deze bloedsomloop".

Die hoop werd daarna woordelijk weer eventjes onder de zoden gepropt door de volgende kandidaat Pim te Bokkel die in zijn eerste blokje een tiendelige cyclus debiteerde met de titel "Dit is het einde". Een knappe excercitie waarbinnen de eindzin van elk deelgedicht de beginzin vormde van het volgende. En dat niet alleen. Bepaalde associatiezwangere woorden (bijvoorbeeld "TL-buis") kwamen schijnbaar willekeurig repeterend terug, maar een goede dichter doet natuurlijk niets voor niets. Pim "hinkt, stapt, springt" en "bouwt zo een treurwilg om tot gouden regen". Hij "speelt met kleine negertjes trompetjazz in zijn hoofd".

Poëzie om vooral ook te lezen misschien, maar middels een overtuigende bezwerende voordracht uit het hoofd, lijkt hij een ongelooflijk spannend verhaal te vertellen. Een geheim. En dat zorgt ervoor dat je met alle liefde urenlang naar hem zou willen luisteren.

Niet zozeer een dichter met een geheim of een boodschap, maar eerder eentje met pointes, was de negende poëet van de avond, de welbekende Limburger Quirien van Haelen. Quirien maakt light-verse, maar tegelijkertijd ook meer dan dat. Hij heeft zichzelf tot taak gesteld om zich te bekwamen in de meest uiteenlopende vormen. Op zijn homepage vallen de vruchten hiervan na te lezen, maar op het podium laat hij zich bij de keuze uit zijn repertoire toch vooral leiden door de mate van grappigheid van zijn verzen.

Hij begon met "rootstory". Een op rijm gezette mop over iemand die in een Fiat Panda met een noodgang over de snelweg scheurt om aan een gefrustreerde Porsche-chauffeur te vragen hoe je een Panda in z'n 4 krijgt. Het tweede gedicht, "Pijnlijk" had al een iets hoger poëtischer gehalte, maar het was jammer dat in het gedicht het laatste couplet het voorgaande niet wist te overtreffen. Iets wat normaal juist het handelsmerk is van lightverse in het algemeen en Quirien in het bijzonder. Maar het was dan ook nieuw werk en het verdient op zich alle hulde dat iemand het in een Grande Finale aandurft om dat te brengen. Om een goed aanslaand lightversegedicht te schrijven is het immers nodig om varianten uit te proberen op het publiek. Toch zal het publiek dat Quirien nog niet kende, meer hebben genoten van de evergreens waar hij zijn twee blokjes mee besloot : "Heavy Metal" en "Opstel Frans". Ik weet dat de incrowd van de podiumpoëzie-wereld ze al net iets te vaak heeft gehoord, maar los van de pointes blijven het stilistisch knappe meesterwerkjes. En naar mijn bescheiden mening wordt dat net iets te vaak over het hoofd gezien.

Een dichtersduo dat ook regelmatig te kampen heeft met vooroordelen is/zijn de Woorddansers. De poëzie van de Woorddansers is meer dan wat de voordracht suggereert. "Nacht in Rotterdam" behoort wat mij betreft tot de mooiste gedichten die ooit over de Maasstad zijn geschreven. Heel knap was ook hun vermogen om spontaan in te haken op het lallerige commentaar dat kwam vanuit een dronken boot die voorbij voer op de Looiersgracht. Integraal freestylde jeRoen een tegenreactie, perfect passend in de oorspronkelijke tekst. Eerder die middag waren de Woorddansers al geconfronteerd met het gebrek aan een tweede microfoon. Ze lieten zich er niet door van hun stuk brengen. Performden als vanouds optimaal, en als je dat kan, bovenop die prachtige teksten, dan ben je de terechte winnaar van de nationale poetryslam (die eerder die maand had plaats gevonden). Ik heb het al eerder gezegd: "perfect synchroon uitgevoerd wisten ze pareltjes te scheppen". Laten we hopen dat die pareltjes juist besteed zijn.

Tot zover de tien kandidaten. Er was nog een elfde. Een dichter van het eerste uur, een originele Festina-veteraan: Mohs Volke. Helaas kwam hij in eerste instantie niet opdagen. Pas toen de tweede ronde al begonnen verscheen er een gespierde gebruinde gestalte met een grote zonnebril op. Aan de manier van lopen te zien, lichtelijk aangeschoten. Mohs. Als allerlaatste deelnemer mocht hij toch nog eventjes op de planken staan en ik moet toegeven dat hij dat deed met verve. En een wonderbaarlijk zelfinzicht op de koop toe. Hij opende met "Zoet wraakdier" waarin de toepasselijke woorden "Men weet niet waar ik uithang/Dat is geen uitzondering, maar ook geen vooruitgang". En besloot met "Je stilte" waarin de zin "een geheim dat nergens is". Laten we hopen dat hij er volgend seizoen weer echt is, en in volle glorie.

Enfin. Het was onmogelijk (en misschien wel onwenselijk) om uit dit prachtige elftal een verdere selectie voor een finale te maken als jury. Die overigens bestond uit de dichter Simon Vinkenoog, de dichteres Jannah Loontjens (by the way de eerste Festina-dichteres die officieel een bundel heeft gepubliceerd) en dichter/rapper Sven Ariaans (ik dus). De keuze viel op een trio in plaats van een duo. Pim, Bernard en Maarten. Maar het hadden net zo goed drie anderen kunnen zijn.

Om terug te komen op het cliché. Poëzie kan geen wedstrijd zijn. Niet op dit hoge niveau. Het doet er ook niet toe. Het gaat om de dichters in het algemeen en hun gedichten in het bijzonder. Vergeet het strijdperk. Volledigheidshalve zal ik vermelden dat de publieksprijs ging naar Gijs ter Haar. Dat de "barprijs" van het Festinapersoneel ging naar de Woorddansers. Maar dat de hoofdprijs ging naar de jongen die naar de mening van de jury de beste combinatie bracht van poëtische inhoud, podiumuitstraling en universele zeggingskracht. De man die weet waar het om gaat. De dichter die onbedoeld voorspellend de volgende woorden uitsprak, waarmee hij het in acht zinnen beter vertelt dan ik in dit verslag:

o dichters van goud,
o ouders van morgen, vertel
de sterren in de verte van
deze lijven van licht
hou ons geheim niet langer
verborgen
hoor hoe hier de zegen gloort
en al onze zintuigen juichen.

De spijker op zijn kop. Ik neem nederig afscheid en presenteer u hem met de volledige versie van het gedicht.
Sven Ariaans

STRIJDPERK
in het nooit voltooide celluloid
van onvolkomen dromen,
in het strijdperk van de tijd
waar ware helden het ontgelden
en geen duif nog traint
voor vrede loeren
jagers en vandalen
op ontbrekende signalen
en achter elke heuvel fikt
het smeulen van gesneuvel
lacht de blitse beul
en krassen kraaien en karkassen
naar de huizen van de duivel,
naar de zielen van de hel
met het roven van getover
brak brandweer aan in kinderspel
en tussen dode torens worden
engelen geboren
in kleren van klei,
uit een kogelvrij nest
uit precisieprotest
verliefd, verlaten, verloren, voorbij
en de aarde schudde
nee
onder kuddes scheve kaarsen
geen herders maar hordes
soldaten op straat,
geen god van de sterren
maar god van de staat
en de blitzkriegballades
en de hiphopserenades
en de Internationale
en de blues van de jihad
en de guerrilla van de gieren
grommen als geronnen stokken
op de trommels en kanonnen
van een piste zonder kieren
in het theater van de haat
en Ares in Armani kiepert
lijken als geroofde duiten in
hersluitbare barakken terwijl
de takken van de nacht het bos
van laatste nieuws voorzien:
hagel op ontmaagde godinnen,
minderjarige gezinnen,
vlees- en bloedblokkades,
mokka uit Mekka,
vallende varkens, geweren in graan
en stoeten tot aan Tokio
voor niets dan vrijheid zoeter
geen leugens maar leuzen,
het lonende uur,
je hart in de hens
en dood aan censuur
geen heersers maar helden
op stinkende sokken,
zweet op rijm gezet in gebed
en kracht op kwaad water
met tranen als benzine
in gods gewapende vitrine
is sterven gloeiend drinken
uit verschroeide zwarte gaten,
elke tongzoen heterdaad
o gaap- en mompelpeloton,
zinkend zonder anker,
o slaapwandelstrompelvolk
dat winkelt en wankelt
in dit weekendwalhalla,
in kroonlucht en stegen,
in schuchtere hemels,
glasvezelkabels en koren van Babel,
wees kussende zusters
met lokken van neon
en broeders die branden
als chili en syfilis,
whisky en Orion
o dichters van goud,
o ouders van morgen, vertel
de sterren in de verte van
deze lijven van licht
hou ons geheim niet langer
verborgen
hoor hoe hier de zegen gloort
en al onze zintuigen juichen.
© Maarten Das