Amsterdam zaterdag 18 augustus 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








Verslag poŽzieslag di 2 september 2003

Verslag door dichter/jurylid Sven Ariaans
Op dinsdag 2 september 2003 ging het zesde seizoen van 's Neerlands langstlopende poetryslam van start. Afgezien van het laatste restje door de binnenstad dwarrelende zomertoeristen, een aantal eerste ritselende herfstbladeren en een enkele verdwaalde pizzakoerier, was het eindelijk weer stil op straat. In Festina Lente was het ouderwets druk.

Tien deelnemers zouden gaan strijden om het eerste ticket voor de Grande Finale van 2004. Dit alles onder de vertrouwde ogen van juryvoorzitter Simon Vinkenoog, docente schrijven en theaterwetenschappen Peet van Duinhoven, podiumdichter Sven Ariaans en last but not least, naast deze driekoppige jury, het felbegeerde Festinapubliek. Om voor de verandering eens te spreken met wijlen ol' blue eyes : "If you can make it overthere, you can make it everywhere."

Deze maand komen er voor het eerst bundels uit bij gerespecteerde uitgeverijen van podiumdichters pur sang. Erik Jan Harmens en Tjitske Jansen; beiden regelrechte Festinaveteranen. Alsof dat nog niet genoeg is gaat eind deze maand de documentaire "Slammers" in première, een film van de voor een Gouden Kalf genomineerde Wilko Bello over podiumdichters. Drie van de vier slammers die hij volgt zijn Grande Finale winnaars van Festina Lente. Haar planken zijn kortom wat de Elfstedentocht is voor de anonieme marathonschaatser, wat de Tour de France is voor de eenzame fietser.

Uit alle delen van het land waren ze dan ook aanwezig, de gretige dichters, danig op zoek naar roem. Op een doordeweekste dinsdag drie uur treinen vanuit Delfzijl om drie minuten te kunnen voordragen. Of vanuit Harlingen een halve dag in een dorstige Datsun verkeren om daarna drie korte gedichtjes te mogen declameren. Het leven van een anonieme dichter is niet hard, het is medogenloos.

Presentator Fredoen Valianpour, dichter en medicus, weet dat als geen ander en vroeg dan ook vriendelijk om de onvermijdelijke mobieltjes tijdelijk het zwijgen op te leggen en de algehele aandacht te vestigen op de eerste kandidaat van de avond, Seth Wildenburg. Seth uit Soest voerde als motto "van het rijmen af te willen". Dat lukte hem in het begin niet al te goed. Zijn openingsgedicht "op de flat", over de geboorte van een duif, stond bol van voorspelbare eindlettergrepen. Ritmisch zat het echter prima in elkaar, dus het zij hem vergeven. In zijn tweede gedicht, "Huis", probeerde hij zijn uiterlijke imago van ideale schoonzoon te ondergraven met zinnen als "Val toch tering rap ergens dood helemaal". Zoals gezegd ritmisch perfect, maar tsja, over het poëtisch gehalte valt te twisten. Of neem de zinsneden "gaten in mijn hart, jouw borsten zouden er wel mooi inpassen". Ik weet het niet. Maar het publiek bleek het achteraf schitterend te hebben gevonden.

Ook de tweede deelnemer van de avond, de 30-jarige Amsterdamse Mieke Hoeksema kreeg veel bijval. Een boos studentikoos meisje dat begon met de titel "Gemaar helpt geen moer". Gelukkig werd de kwaadheid intelligent gedoseerd. Er was plaats voor ironie en innerlijke relativering; "jij speelt zo goed, idioot" en "altijd als ik jou zie lopen, gaat het verkeerd." Mieke had het over "Gemaar op slippers" en "jij slangeleren rokje, strobloem zonder ruggegraat." Spannend genoeg. Jammer alleen dat ze in het staartje van haar vrije verzen, uiteindelijk toch geforceerd het rijm op zocht. De boosheid getemd met een cliché-instrument. Het zal onzekerheid zijn geweest, want een talent is ze zeer zeker.

Dat valt moeilijker te beweren van de derde dichter van de avond, John Koreman. Verscholen achter een blauwe zonnebril vertelde de goedbedoelende Harlinger in een lang, aan 11 september ontsproten gedicht over "Jihaad en haat", over "emo TV en hypotheken", over " zij, die zonsondergangen wel romantisch vinden", om zijn betoog te laten uitmonden in de speelse slagzin : "zachtmoedigen allerlanden verenigt u en laat mild vuur gloeien". Mild met een "d", had hij ons van tevoren medegedeeld. Een mooie slogan, maar de voorafgaande strofen bleven helaas steken in eendimensionaal afgeven op de burgerij. Van revoluties afdraaien en iets trachten te zeggen op poëtische wijze had Lucebert toch net iets meer verstand.

Na de eerste pauze was het tijd voor een oude bekende, de 28-jarige Haarlemmer Christiaan Pielich. Voormalig winnaar van o.a. de Griffoenslam van de V.U., afkomstig uit de hoek van het cabaret en al jaren aan de dichterlijke oprit timmerend. Zoals professionele slammers dat doen droeg hij voor uit het blote hoofd. Het mocht echter niet baten. In zijn semi-autobiografische openingsgedicht over moederborsten was hij te flauw voor woorden en in zijn lichtelijk afstandelijke gedichten over o.a. Marco van Basten wist hij geen snaren te raken; "ik liet vijf kalen dwalen, ik speelde tegen mongolen". Met deze slotzin was hij verholen op zoek naar de lach, maar waar lightverse al moeilijk is om te maken, is het creëren van poëtisch lightverse praktisch onmogelijk. Diepzinnigheid en plat shockeffect gaan moeilijk samen, het concept vervoering, ontroering, verrassing en een daaropvolgende lach, is voorbehouden aan de groten in het vak, zoals de dichter Erik-Jan Harmens wellicht, of de cabaretier Hans Teeuwen. Bij Christiaan echter, viel er niet of nauwelijks te tranen, laat staan te lachen.

De vijfde kandidaat, allochtone Amia uit Delfzijl, was van een heel ander slag. Volslagen naïef, maar daardoor wel prettig authentiek, betrad ze de planken om vervolgens het publiek te trakteren op een gedicht, "Nachtvlinder" geheten, waarin repeterend de makkelijkste aller rijmuitgangen voorkwam; "acht". "Macht", "kracht", "nacht", "wacht", "dacht", "lacht", etc, ze kwamen allemaal voorbij. Het betrof hier geen gimmick, maar een produkt van de geest van iemand die oprecht dacht in deze een fantastisch gedicht voor te dragen. Dat deed ze dus niet, maar het daaropvolgende gedicht was al een stuk beter : "de jongens van de ijzeren paarden". Aardige strofenlange beelden. Toch had Amia daar persoonlijk minder fedusie in. En gevoeglijk hielp ze het gedicht op het eind alsnog om zeep met de herhaling van de titel en de daarop rijmende overbodige zin: "ieder met zijn eigen waarde." Zonde.

Niet te lang getreurd echter, want vervolgens was het de beurt aan de tweede oude bekende van de avond, de beheerser van het ritmische vrije vers, de 28-jarige Amsterdammer Laherto. Gehuld in een wit hemdje waardoor zijn tattoo goed zichtbaar was, startte hij een kruistocht in combatbroek. Openend met het perfect lopende "Etnische alliantie", om daarna naadloos over te vloeien in "De Taalrepubliek". "Ik hef belasting op de inkt!" "Verbrand(t) de valse poëzie!" "Tiranniek bestrijd ik, dan pas word ik nooit vergeten." Ook in het derde gedicht, "Wordt Amsterdam", viel het woord "tiran". Ditmaal in de woordcombinatie "tirannieke trechter", die uitmondde in de slotzin "en dicht heel tijdelijk de tegels van jouw tijd." Het is niet altijd even gemakkelijke poëzie en het valt dan ook zeer aan te raden om zijn gedichten nog eens na te lezen (op bijvoorbeeld poetryalive.nl), maar het klinkt alvast prachtig allemaal. Ten eerste dankzij het prettige metrum waaraan Laherto zijn poëzie onderwerpt, maar ook door zijn voordrachtstoon, die bekwaam balanceert op de dunne lijn tussen agressie en engagement. Laherto was niet zo zeer boos, maar eerder geïnspireerd te noemen.

Het tweede blokje van de eerste ronde werd afgesloten door de 39-jarige Utrechtenaar Mark, die als motto voerde: "De stad is mijn safaripark". Ik weet niet of hij zich achtervolgd waande door een kudde hyena's, maar Mark had er in ieder geval stevig de sokken in. In een noodtempo droeg hij zijn poëzie voor, waarbij hij na ieder gedicht aan presentator Fredoen vroeg hoeveel tijd hij nog had. Die snelheid was jammer, want zo gingen er ongetwijfeld veel vondsten langs het publiek heen, zoals uit het gedicht "Onnozelheid" bijvoorbeeld: "Zij had nog nooit met mes en vork leren discussieren". Na drie minuten eindigde zijn cyclus "De kudde" met de zin "Uw glaasje geeft het tempo, mits er voldoende ijs in zit." Iets meer ijs, iets meer rust, het had geen kwaad gekund.

Nadat iedereen weer even bij zinnen was gekomen werd het derde blok geopend door de 36-jarige Rotterdammer Jan Spaans. Jan bleek zoals zijn motto, "hoe logica absurd kan zijn", al deed vermoeden, een man van het lightverse. Het was niet altijd even verfijnd wat hij schreef, getuige zinnen als "en als ik dan iemand keihard het ziekenhuis in schop, dan wil ik alleen maar spelen", uit het gedicht "als een kwispelhond", maar af en toe kwam hij met een verrassend woord op de proppen, zoals bijvoorbeeld "barbievetuitzuiger". Het rijm was verzorgd, maar voorspelbaar, net als de "grappen". In het slotgedicht "Eerste liefde houdt altijd" werd er "behang van haar hart getrokken", om uiteindelijk te concluderen: "jij was het die het lekkerst kleefde."

Ook de negende deelnemer, de 57-jarige Seipie uit Alkmaar, was iemand van het lightverse, maar binnen dat genre beperkte hij zich tot korte versjes over dieren. Hij had er een over een girafje, een kangaroe ("dat hou ik dan vast, zolang ik in de buidel past"  die "t" sprak hij er al dan niet bewust bij uit), een rupsje, een schildpad ("dan geef ik hem een schop, dan schiet het lekker op"  grote hilariteit in het café) en een biggetje. Het viel allemaal moeilijk "echte" poëzie te noemen, het bleef onbeholpen steken in goede bedoelingen. Een ding vond ik echter wel grappig en dat was de titel van zijn bundel : "Gaat u even zitten  gevangenisgedichten".

De laatste kandidaat van de avond, Gerard Valentijn, 48 jaar, was een dichter van dertien in een dozijn. Bloedeloze, nietszeggende poëzie, zowel qua inhoud als vorm. Het openingsgedicht "Handen" bestond enkel uit zinnen als "Over mijn hele lijf de handen die mij masseren". Louter het laatste gedicht, "Het park", was wel aardig van opzet. Het had in ieder geval iets wat leek op een vorm. Het bestond uit korte staccato-zinnetjes, maar helaas, ook in die korte zinnetjes had Gerard eigenlijk niets te zeggen.

Al met al geen avond om de vlag voor uit te hangen, op een enkele uitzondering na. Misschien moeten de dichters er zo aan het begin van het seizoen nog een beetje inkomen, maar de jury had grote moeite om uit dit tiental een kwalitatief sterk genoeg vijftal te selecteren voor de tweede ronde. Het werden er dan ook maar vier: Mieke, Laherto, Mark en Jan Spaans.

Voordat zij hun uitverkiezing mochten waarmaken echter, liet de winnaar van de Grande Finale van het afgelopen seizoen, Maarten Das, even zien hoe het wel moest. Hij dichtte: "hier houdt de hemel huis" en zo was het.
Mieke was nog altijd boos en dichtte in de tweede ronde over "Klootschieten", waarin de zin "schiet op met die kloten!" Laherto, nog immer geïnspireerd, opende in "Wereldbroeder" de aanval op de wereldreligies: "Het is Zijn Naam gesproken door twee tongen"; een mooie vondst waarin zowel de associatie met "dubbele tong" (dronken domheid) als met "gespleten tong" (liegen) besloten ligt. Mark nam "een eerste voorschot op een requim" en had het over "te veel, te hard en alle kanten op, normaal is dat een keuzevak". Blijkbaar dus niet voor hem, want hij ging onverminderd voort in zijn zelfverkozen sneltreinvaart. En Jan ten slotte had het over een "draaidoor kantoor" om zijn voordracht te eindigen met: "de letterkots viel op de grond, maar helaas, er viel niks meer van te maken."

Hierna volgde voor sommigen misschien wel het hoogtepunt van de avond: een spontaan gastoptreden van een zwaar beschonken Tom Pel. Het was net uit met zijn vriendinnetje en daar had hij een mondharmonicablues over geschreven. Inhoudelijk was die niet zo briljant als zijn beroemde zin "er is hier 80 centimeter plant waar jij geen weet van hebt", maar het gevoel was des te snijdender. Vooral toen hij halverwege zijn tekst kwijtraakte en tussen de melancholieke mondharmonicastukjes door, alleen nog maar droevig la-la-la-la-la kon lallen.

De finale ging uiteindelijk tussen Mieke en Laherto. Het boze meisje met de moeilijke, soms knappe, dan weer onbegrijpelijke beelden, met de neiging tot gezocht eindrijm in de slotzin, versus de geïnspireerde jongen met de broeiende inhoud en het ritme van een drummer. Tenminste, zo zag ik het. Maar de beoordeling van poëzie is in zekere zin toch een subjectieve aangelegenheid. Dat bleek al na het tellen van de stemmen voor de publieksprijs, die glorieus werd gewonnen door iemand die dankzij de jury was gesneuveld in de eerste ronde: Seth Wildenburg.

Maar ook tijdens het finale jury-overleg werd duidelijk dat de twee andere juryleden een andere mening was toegedaan dan die van mijzelf. It's all in the game, ik leg me daar bij neer. Ik acht hun deskundigheid groot en bovendien wil ik de winnaar niet te kort doen, want het is ontegenzeggelijk een aanstormend talent. Haar naam is Mieke Hoeksema en normaal gesproken zou ik nu eindigen met de opmerking dat u hieronder een van haar prachtige gedichten kunt lezen. Edoch: helaas heb ik haar op de avond zelf niet meer kunnen vragen om een gedicht en ook het telefoonnummer dat ik heb doorgekregen van de organisatie bleek na het te hebben gebeld, aan ene Inge en dus niet aan Mieke toe te behoren.
Mocht het later deze week lukken om alsnog een gedicht van haar te bemachtigen, dan zal dat uiteraard worden toegevoegd. Zo niet, troost u dan met de gedachte dat u haar weer te zien zult krijgen tijdens de Grande Finale in 2004.
Sven Ariaans