Amsterdam maandag 18 juni 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








Verslag poŽzieslag di 2 maart 2004

Verslag door jurylid/dichter Sven Ariaans
In de Verenigde Staten was het op 2 maart SuperTuesday, in Festina Lente was het superdruk. Er kon letterlijk geen kanarie meer bij toen presentator Gerard Beentjes om half tien de avond wilde laten beginnen. Vlak rond de plek waar de dichters normaal gesproken hun werk voordragen stonden echter zoveel mensen die het zicht voor het overige publiek belemmerden, dat voor het eerst werd besloten om de grote ronde tafel van boven 'crowdsurfend' naar buiten te manoeuvreren, teneinde enige zitgelegenheid op de grond te creëren.

Hierna kon Gerard beginnen met het eren van de kersverse dichter des Vaderlands, onze vaste juryvoorzitter Simon Vinkenoog. Hij deed dit met een prachtig gedicht dat na te lezen is op www.epibreren.com (bij het poëzienieuws onder 'rottend staal'). Vervolgens was het de beurt aan Wicher Ponne om zich als eerste kandidaat naar de enige vrije vierkante meter in het pand, ook wel podium genoemd, te begeven. De gitaardocent uit Arnhem die in zijn vrije tijd light verse schrijft, had het voornamelijk over supermarkten. Daarbij moest de Albert Heijn het ontgelden en kwam de Aldi als paradijs uit de bus. De Vlaamse cultschrijver Berckmans noemde de Aldi ooit al "het Walhalla voor ons maatschappelijke kanslozen", Wicher was nog lyrischer. Het debiteerde het ene superlatief na het andere om uiteindelijk met communistisch genoegen zijn slotzin uit te spreken: "of je nu arm bent of rijk, bij de Aldi is iedereen gelijk."

Nadat Wicher zich weer terug door de menigte had gewrongen, vocht Kasper van Royen zich een weg naar het katheder. Kasper, 20 jaar, getooid met baardje en pet, begon te vertellen dat hij werd "geschaduwd door een klein jongetje." Hij droeg overtuigend voor, maar het rijm in zijn gedichten was net iets te geforceerd; zinsneden als "de nachten van de gedachten kunnen verzachten" zijn niet echt briljant te noemen. Net als Wicher kwam Kasper overigens ook met poëzie over de maatschappelijk minder bedeelden, in dit geval met een gedicht over een dakloze. Zijn slotzin was echter minder optimistisch: "hij moest de 'Z' verkopen, maar at hem al op vanaf de A".

Als derde dichter meldde zich Jan Jaap, die om drie minuten te mogen optreden in Festina, helemaal vanuit een gehucht in de buurt van Osnabrück was komen reizen. Jan Jaap bezigde archaïsche taal in langerekte zinnen waarvan het metrum haperde en het eindrijm enigszins aan 5 december deed denken en die mij dientengevolge niet al te veel genoegen konden schenken, hoewel hij inhoudelijk soms wel met aardige dingen op de proppen kwam. Na het woord 'nacht' volgde de geforceerde, maar toch poëtisch geladen zin: "ik had zulk een ontrouw nooit van mijn schaduw verwacht." Bovendien was zijn slotgedicht 'dieptepunt', een klaagzang over een grote stad ("maar verbeelding wast uit nevel"), een hoogtepunt.

Het eerste blok werd afgesloten door Annie Gerritsen. Een oer-Hollandse naam, edoch een Indonesisch uiterlijk. Poëtisch stelde het niet veel voor wat Annie bracht, maar ze kreeg wel de lachers op haar hand toen ze haar tweede gedicht voordroeg met een vet aangezet Indonesisch accent. Die lachers probeerde ze vervolgens tot schateren te verleiden met haar slotgedicht, 'Vrouwen', maar dat lukte niet echt. Waarschijnlijk omdat de woordgrapjes iets te gemaakt overkwamen: "onmisbaar voor een bedstrijd, scoren zij in 90 minuten de bal tussen de palen het net in."

In de tweede ronde was het Youri Cohen uit Apeldoorn die als eerste de planken mocht betreden. Een jonge jongen met bravoure; "ik verzeker je vrouw, dat ik altijd met vreugde naar je billen kijk". Veel verder dan dat kwam hij echter niet. "Wanneer zal je me verlossen?", de kort daarop volgende slotzinsnede spreekt wat mij betreft voor zich; het was goedbedoelde poëzie, die op zijn best onderhoudend is, "maar, me nooit echt raakt".

Het echte dichterlijk geweld barstte pas los toen de zesde kandidaat ten tonele verscheen, de Haagse beeldend kunstaneres Jet Crielaard. Ze begon haar gedichten steevast met dezelfde zin: "ik heb mijn onzekerheden aan een boom gehangen." Niet dat dit zo bijzonder is, maar het is wel een goede truc om het publiek te hypnotiseren en klaar te stomen voor prachtige zinnen als: "als ik op mijn tenen ga staan ben ik net groot genoeg om uit mijn oogkassen te kijken", dit alles bovendien voorgedragen uit het blote hoofd, wat ook altijd goed werkt op een podium.

Na Jet was er weer eens een 80-plusser te bewonderen in Festina. Ditmaal betrof het Jan Eshuis, fan van de Prins der Dichters Roland Holst en dat laatste was te merken: "eerst nu heeft zij zich vergewist" en "wij zijn de zwervers der verlaten wegen, de dolers van vermoeide karavanen." Meneer Eshuis bracht geëngageerde poëzie met titels als 'Levensperron' en 'Dodenakker'. Helaas bleef hij hierbij steken in eendimensionale beschrijvingen met clichématige metaforen voor zijn eigen ongetwijfeld zware verblijf op aarde. Oprecht gebracht, dat wel. En waarschijnlijk was dat de reden dat hij toch menigeen wist te ontroeren.

Die echtheid ontbeerde de achtste deelnemer, de Haarlemmer Hans van Elp. "Eenzaamheid is die zoete bonbon, liggend op je nachtkastje." Ik geloofde er niks van. Dat hij in zijn eerste gedicht tot vervelends toe woorden als 'goud','zilver','diamant' en 'rozen' gebruikte hielp ook niet mee.

Iemand die eveneens niet oprecht is, maar daarvoor een goed motief heeft, te weten poëtische bezwering, was Pim te Bokkel. Onder het motto "don't fuck with de Achterhoek" trad hij met zijn nieuwe werk in de voetsporen van Festina-veteraan en 's Neerlands eerste nationale slamkampioen Erik-Jan Harmens. Een briljante timing in woordkeuze, maar ook in zijn voordracht. Waar podiumkoning Erik dat doet met de monotone grafstem van een cynische dominee, doet kroonprins Pim het met de overdreven intonatie van een vader die zijn kinderen een ongelooflijk spannend verhaal aan het voorlezen is. Het mooie daarbij is dat het geen sprookjes voor kleuters betreft, maar de ogenschijnlijk willekeurige beslommeringen van een met opzet lichtelijk ontspoorde jongeman: "Het regent, ik denk dat ik achter een lantaarnpaal kan schuilen... maar dat werkt niet."

Een gedicht later roept hij in typische Opa-taal uit met dito intonatie: "Was het niet mijn Opa die..." Misschien te cabaretesk zo op het eerste gezicht, maar Pim kan meer dan dat, want als ik het goed heb verstaan schroeven bijvoorbeeld even later bomen hun nagels door het teer. Het is moeilijk om kwaliteit te bewijzen in een alinea, met zinsneden die uit hun context zijn gerukt, maar hier stond wat mij betreft een dichter van het grote formaat.

De volgende dichter, Koos Hagen uit Amstelveen, profiteerde gretig van de sfeer die Pim had geschapen. Het publiek stond open en lachte enthousiast om de enigszins goedkope grappen die Koos te berde bracht; "het volgende gedicht heet MS. Dat is geen afkorting voor de ziekte, maar voor motorschip." En ook de zin "en dan nu allemaal massaal achter de rollator" uit zijn gedicht 'Examen inburgering' zorgde voor het nodige gegrinnik. Lang niet zo subtiel als Pim, maar het effectbejag van Koos had desondanks zijn gewenste uitwerking.

De eerste ronde werd besloten door Tati, net als Annie Gerritsen een Indonesisch meisje uit Amsterdam. Tati zocht het in tegenstelling tot Annie niet in grappenmakerij maar in betrokkenheid. Een verhaal over een "rode rozenverkoper", "rood zo kleurloos dat het pijn doet" en een psalmachtig gedicht met de titel 'Zoete pijn', dat eindigde met een toepasselijk "Amen".

De jury, bestaande uit dichter des Vaderlands Simon Vinkenoog, Tweede Ronderedactrice Ieke Cialona en podiumdichter Sven Ariaans, selecteerde uit het elftal eerste ronde-kandidaten Jan Jaap, Jet, Tati, Pim en Koos voor een plek in de tweede ronde. Jan Jaap gaf te kennen "ik heb slecht geleefd en met spoken gesproken", maar daar viel in de rest van zijn poëzie helaas weinig van te merken. Jet had een nieuwe repeterende beginzin; "is het onnodig te melden...", waarna ze sprak over "het aanleunend heelal met bloemkoolgeur" en "mijn raam is drie puntmutsen breed". Noodzakelijke mededelingen? Nee, maar we zaten dan ook niet bij een briefing van de VN Veiligheidsraad. We verkeerden op een poëzie avond en de gedichten van Jet namen ons mee naar die andere wereld waarvoor we gekomen waren.

Tati opende haar tweede ronde met het gedicht 'Wildgroei', waarin ze zichzelf afdoende recenseerde: "mijn zinnen zoeken naar houvast". Pim daarentegen beheerste de taal als een ervaren ruiter een Mustang. Verwachtingen wekkende titels als 'Over barbies en God en zo', 'Kermis zonder botsauto's' en 'Kutwinter' losten hun beloften in, het publiek ging definitief overstag, lachend, maar ook geïmponeerd door schitterende zinsneden als "want water wil graag samen zijn." Koos speelde op zijn beurt weer in op de gekweekte stemming en scoorde plat zijn eigen lachjes met bijvoorbeeld: "soms kom ik bij vrienden, of erger, mijn moeder".

Eigenlijk was het, in ieder geval mij, direct duidelijk welke twee dichters in aanmerking kwamen voor de finale. In die, na verhit jury-overleg tot stand gekomen, terechte finale 'typte' Pim dat hij 'droomde', waarna Jet herhalend de beginzin "ga maar zitten in mijn hoofd" uitsprak. Het was een mooi duo, waarvan er helaas maar een kon winnen. Pim won met een zelden vertoonde overmacht de publieksprijs. En Jet? De dichter des Vaderlands sprak over "prachtige retorische poëzie, betoverend, ze gooit haar hart er in." En zo was het. Zonder te overdrijven presenteer ik u vol trots de winnares van de juryprijs met een van haar fantastische gedichten: Jet Crielaard.
Sven Ariaans

de zon een bol wol

twee roze lijnen reiken
naar de kim waar de zon
laag alle wolken
naar zich toe trekt
als verdwijnpunt
dat gekleurde schapen wenst
te bewegen richting
de ruimte achter het licht

er moet daar een weide zijn
waar de bron achterwaarts schijnt
met gras nog groener dan
aan deze zijde
waardoor dubbel zoveel
rivieren glijden

of ze ontrolde draden
zijn van een bol wol
die schapen nodig heeft
ter vermaak van god die
achter zijn spinnewiel
als hij niet slapen kan
gevallen steken telt
van hen die overdrijven

Jet, H.H. Crielaard