Amsterdam dinsdag 16 januari 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








Verslag poŽzieslag di 6 april 2004

Verslag door jurylid/dichter Sven Ariaans
Dinsdag 6 april. Ajax heeft in het weekend daarvoor een belangrijke stap gezet naar het landskampioenschap met een team dat, naast een aantal nog amper gevestigde namen, voornamelijk uit nog jongere jonkies bestaat. Festina Lente is voor de derde maand op rij afgeladen. De reden hiervoor lijkt het almaar aanwassende arsenaal aan podiumdichters dat hier haar debuut beleeft.

Net zoals Ajax hoogtijdagen beleeft dankzij het serieel opentrekken van verse blikken talent, zo is Festina de ArenA waar de dapperste forellen uit de kweekvijver aan dichtbeloftes zich openbaren. Het publiek weet dat inmiddels en heeft zich daarom vrijwillig een, overigens gratis, seizoenskaart aangeschaft, zo lijkt het. En niet voor niets. Maar liefst 14 dichters stonden op het programma, dat werd gepresenteerd door vaste presentatrice Neeltje en werd beoordeeld door een jury bestaande uit de Dichter des Vaderlands Simon Vinkenoog, 2e Ronde redactrice Ieke Cialona en podiumdichter Sven Ariaans.

Zij zagen hoe het spits werd afgebeten door de 33-jarige Walter van Vliet uit Gouda, die computermuzikant Martin had meegenomen. Walter droeg voor uit het hoofd en bracht cabareteske poëzie. Helaas niet van de beste soort. "Pas zat ik in bad, het was toevallig vandaag" is misschien een grappig aanzetzinnetje, maar gedachten werden in het gedicht niet verder uitgewerkt. Wel was er sprake van rijmdwang en nogal clichématig taalgebruik: "een gordijn van blonde haren hing voor jouw ogen, maar daarachter tranen." Fascinerend was hooguit de achtergrondmuziek van Martin, die Bach uit zijn computer toverde.

Het was frappant om te merken hoe de wankele zinnen met die begeleiding toch nog enigszins bedwelmend konden klinken.
Veel spannender was de voordracht van de 27-jarige Xavier Roelens. Xavier was helemaal uit Gent komen reizen om zijn poëzie ten gehore te brengen en alleen daarom al mochten we ons gelukkig met hem prijzen. Maar er was meer. Hier stond een podiumdichter pur sang, die een zelfverzekerde uitstraling koppelde aan enerzijds betekenisloze maar prachtige klanken en anderzijds schitterende zinnetjes als "vries me in en vraag welke weerloze waarde ik nog heb." Zijn slotzin, "welk applaus zou nu nog komen" werd door het publiek massaal beantwoord met een ovatie.

Zijn opvolger, kunstenaar Jochem Bosselaar (39) uit Huissen temperde de vreugde echter weer direct. Net als Walter grossierde hij in clichés; "ik zag de bladeren vallen tegen een groenblauwe lucht, sindsdien schrijf ik elke dag een gedicht." In de tweede helft van zijn voordracht schakelde hij tot overmaat van ramp over op puberaal lightverse; "zelfs vrouwe justitie heeft een fantastisch decolleté" om te eindigen met een gammel gedicht over een meisje, Dominique, dat uiteindelijk een etalagepop bleek te zijn.

De eerste dichteres van de avond, de 29-jarige studente kunst Katja Vermeulen uit Amsterdam, deed het een stuk beter. Ze stond weliswaar zenuwachtig en verlegen op het podium, maar op haar poëzie viel zo op het eerste gehoor niet veel aan te merken. Geen clichés, geen rijmdwang, maar een nadeel was wel dat het nogal moeilijke gedichten waren om in een keer te bevatten. Stapelingen van beelden, waarvan de coherentie niet altijd even duidelijk was.

Bij Tuschinski-medewerker Tom de Beer was dit wel het geval, maar daar is dan ook alles mee gezegd. Opnieuw wemelde het van de Sinterklaasrijm en vooral van de clichés, die bovendien inhoudelijk nogal rammelden; "glinstering van de maan in het licht". Soms was het op het effectbejagende sentimentele af, "alleen de dronken man ziet dat ik huil als een kind", zonder dat dit de gewenste respons opleverde van het publiek, en naarmate zijn optreden vorderde kreeg Tom er dan ook steeds minder fiducie in. Hij eindigde toepasselijk met "writersblock"; "ik heb een writersblock, maar nog nooit wat geschreven."

Het tweede blokje in de eerste ronde werd geopend door de Noordwijkse lerares Ortrud Brandes. Het begint saai te klinken, maar ook Ortrud was niet vies van rijmende clichés. "Het geluid van de stilte smaakt naar de zilte bellen van zeep." Toch vond ik haar optreden interessant, ze bleek namelijk qua voordrachtstoon de vrouwelijke variant van slamkampioen Erik-Jan Harmens te representeren. Met een soortgelijke monotone intonatie en langgerekte uithalen droeg Ortrud haar zinnetjes voor: "Altij-ij-ijd... eerst de kinderen naar school en dan een kopje koffieieieieie", waarbij ze de alledaagse beslommeringen afwisselde met plotselinge spanningwekkende woorden: "ook niet als je het mes eerst aan de keel zet." Het was helaas allemaal wel wat minder subtiel dan Erik-Jan; "toen zij vloeibaar frituurvet in plaats van wasverzachter in de wasmachine gooide", gevolgd door "toen zij een tampon in plaats van een videocasette in de recorder stopte, wist zij dat er voor goed iets fout zat, maar wat?" Dat dus.

Als zevende kandidaat was er opnieuw een dichteres aan de beurt, de 45-jarige Leger des Heils-mevrouw uit Krommenie, Trudy den Herder. Ze begon haar voordracht zingend over "sperma van de man". "Wie niet oppast trapt erin". Het was kwalitatief niet altijd even hoogstaand, maar toch had ze leuke zinnetjes als "eet twee weken lang brood van dezelfde datum, dan is het lente!" en "je bent in je glas gevallen." Charmant, maar voor het overige gedeelte was haar poëzie niet al te best. Zelf verwoordde ze het uitstekend met haar slotzin: "Ach, zei de dichter: ik ben verlegen, ik dicht niet zo goed, maar vul wel de tijd."

Na Trudy was het tijd voor een Festina-veteraan van het eerste uur, de Amsterdamse werkloze "doordrager" Mohs Volke. Het verschil met zijn voorgangster was enorm. Hier stond iemand die de podiumpoëzie met een overtuigende voordracht weer nieuw leven inblies; "we zijn nog lang niet dood en zelfs dat is onzeker." Mohs had het over "een huid die zich om het andere verbaast". Poëzie is een andere manier van kijken en als dat zoals hier goed gaat, levert dat een pregnante wijze van formuleren op. Halverwege raakte Mohs even zijn tekst kwijt, maar dat gaf niets. Integendeel, het maakte zijn optreden alleen maar menselijker en daardoor spannender; "ik weet geen raad en dat bevalt je."

Iemand die we inmiddels eveneens een Festina-veteraan mogen noemen was de 28-jarige Laherto. Hij begon zijn voordracht met het welbekende "Vinex". Normaal dendert Laherto met een vaart door zijn poëzie heen, waar een TGV wit van weg zou trekken, maar dit keer leek hij eindelijk eens een boemeltje te hebben genomen. Het deed zijn optreden goed. Zijn gedichten zijn niet altijd even gemakkelijk en dan is een wat langzamer tempo een zegen voor de luisteraar. Herkenbare beelden, "de thermoskannen onder de oksels klemmend" worden afgewisseld met iets poëtischere, "een grijze vlek in groene harten, kloppend op de regelmaat", met een inderdaad altijd keurig verzorgd ritme. Plus af en toe verrassend taalgebruik, "bedacht mijn hoofd dat het Zweden was die dag." Kunnen kijken als een kind en formuleren als een volwassene, het is een van de belangrijkste instrumenten van de dichter.

De laatste dichter uit het tweede blokje, de 61-jarige acteur A3iaans, had dat verkeerd begrepen en deed het eerder andersom. Flauw lightverse, "Je liep zomaar in de stad en liep maar wat rond, en liep maar te draaien met die prachtige kont", dat bol stond van het voorspelbare rijm; opeenvolgende zinnen eindigden op "page","garage","etalage" en "blamage". Hij besloot tot overmaat van ramp met een weinigzeggende limmerick, waarvan de laatste zin luidde: "dan heeft hij alle kennis paraat van hoe je een brug over gaat." Gefeliciteerd.

Van een heel ander kaliber was de elfde deelnemer, Sieger Baljon uit Amersfoort. Met een staartje en een sikje beklom hij het podium en begon zonder aankondiging Mongools klinkende klanken uit te slaan. Wie Sieger niet kent zou kunnen denken dat hier een waanzinnige op de planken stond, maar niet voor lang. In zijn tweede gedicht, "wees voorbereid", kwamen de eerste Siegeriaanse woordspelingen al voorbij, "help en de hand", en in het derde de welbekende alliteraties en herhalingen; "ontlasting ontlast", "het is vrijdag die vrijheid lacht." Het was nog niet altijd even briljant te noemen in die eerste ronde, maar zijn uitstraling was er een van een moderne prediker, die van een orakel après la lettre, maar dan niet belerend. Integendeel. Eerder met opzet onzelfverzekerd. Mooi.

De twaalfde kandidaat, de 25-jarige **** was wel zelfverzekerd. Ten onrechte, zo bleek. Het waren pseudopoëtische zinnen als "we dalen neer in het rumoer van het leven" die de klok sloegen en haar als erotisch aangekondigd gedicht "Bejaarde kut", was alles behalve opwindend. Tenzij je geilt op zinnen als "kijk hoe een meisje haar eicel likt". Ze eindigde toepasselijk met "er is geen redden aan."

Na **** mocht Aryah uit Amsterdam drie minuten lang voordragen. Aryah zag eruit zoals Jezus in films en nadat hij bloedserieus de titel van zijn eerste gedicht had opgenoemd "Een dromer zoals ik" kon menigeen in het publiek een gniffel al niet onderdrukken. Maar toen Aryah vertelde dat hij "tijden wilde leven met gelijkgezinden", "moed voelde ons van alle angst te bevrijden en alle geluk te wagen", "zalig wilde zijn in het vergankelijk heden" en vervolgens na dit alles debiteerde: "ik ben nog lang niet oud", barstte het publiek pas echt in lachen uit. Onbedoeld natuurlijk en ergens ook sneu voor de dichter in kwestie, want het leek volkomen oprecht, zijn lieve poëzie.

Iemand die ook nog wel eens lief wil zijn, of in ieder geval voornamelijk over liefde dicht, was de laatste deelnemer van de eerst ronde, de werkloze Philippe Fokker. Dit keer putte hij echter uit een breder repertoire en had hij het onder andere over autobandenmerken als Pirelli en Goodyear, "wij staan niet graag stil", en bracht hij het geëngageerde gedicht "Yassin". Hierin vloog de islamitische beloning van "70 maagden" voorbij, alsmede de zin "lijken beide puntjes te zijn vergeten dat zij als broeders werden beschreven." Het bleek net niet voldoende voor Philippe om de tweede ronde te halen.

Degenen die dat wel lukten waren Xavier, Katja, Mohs, Laherto en Sieger. Achteraf was het jammer dat Philippe niet was uitverkoren boven Katja, want laatstgenoemde gaf, eenmaal voor de tweede keer op het podium, te kennen dat het "eigenlijk een grap was geweest" dat ze meedeed. Ze had niet meer gedichten bij zich. Gelukkig hadden de anderen dat wel en in die tweede ronde vertelde Xavier: "de cactus is grappig alvorens te verschrompelen" en speelde hij met woorden in de zin "kom af en toe eens af en af en toe eens klaar."

Beter op dreef was Mohs. Hij opende met "gebed" (opgedragen aan Sieger), dat begon met "Oh god, daar ga ik weer". En inderdaad, daar ging hij: "Lach dan vader, om mijn hoogmoed", "en geef me alleen dit gedicht". Het tweede gedicht, "Narcissen" was nog beter. "Zomaar schuin afgesneden in het water van mijn moeder", "ik ben de narcis." Ook Laherto was in vorm met het gedicht "Berlijn" waarin zinnen als "Het zoeken naar een eigenwaarde" en "de stad is angstig voor een nieuw verleden", maar de afsluitende dichter Sieger, die zijn openingsgedicht op zijn beurt opdroeg aan Mohs, ging daar weer net even overheen, met het gedicht "kakelvers" waarin de welbekende zin "onze zielen zijn babbelaars, onze cellen gehuchten", gevolgd door het geëngageerde "Alqa Ida" ("een kind die dat ziet, maar die regeren niet") en de tevens geëngageerde hit "Kinderen van de woestijn".

Het publiek, dat tot en met de tweede ronde haar stem uit mag brengen dacht daar op dat moment nog iets anders over. De publieksprijs werd gewonnen door Laherto. De jury besloot echter, hoewel natuurlijk niet om die reden, dat de dichters die hun gedichten aan elkaar hadden opgedragen uiteindelijk in de finale moesten staan. Mohs opende die finale, en niet onverdienstelijk ("ik hak mijn dood op het zo toepasselijke thema (...)" en "het vuur in deze ogen dat alles veranderen moet"), maar Sieger was werkelijk ontketend.

Hij begon met de zin "Ik speel dit spel steeds beter" en zo was het. Hij haalde alles uit de kast, van rapachtige zinsneden als "blazen dwazen frasen" en poëtischer, "met een bek vol oesters, rouwen om assepoester" tot alliteraties als "in de naam der nachtrust". Van "een opengeestelijke crisis" tot "ik zit hier in een klein hoekje zonder verdere betekenis", van "de climax is al lang anti" tot en met "Het is een mooie wereld, koud maar toch fris." Toen de razende dwaze prediker zijn laaste zin uitsprak; "de rest is stilte" barstte er een oorverdovend applaus los. Ook het publiek was om. Hier stond de winnaar. En hieronder staat een van zijn schitterende gedichten.
Sven Ariaans

Al Qaeda Global Amusement Industries ltd.
dus keek ik deze ochtend uit het bepixelde raam en zag:
tweelingfallus tot stof door hollywood staalvogels
kokerblik keizerrijk kastratie
dit is een film een grap een oorlog, ja
eerst zelfs een juichend hoorngeschal
daar komen de vier ruiters!-
en daarbij: hoogmoed, fanatenhaat, ieder zo zijn idealisme-
maar luisteren heet nu zwakte, en dat
oog om oog ons wereldjelief maar weer
in deze angstblindmacht verbinden tracht,
heilig gelijk verbrokkelt aan alle kanten,
nu opgewaaid stof en brandende dollars
door marmeren straten worden geblazen,
een kind die dat ziet
maar die regeren niet
zwarte poelen, vlaggen branden
strepen door sterren en bommenregens
spoelen de rijken schoon dat is
de schone
oorlog
woede heerst onder de duim
straatteksten scrollen over de wereld
zapatista's, landlozen, geprivatiseerde verlangens
wanneer ontwaakt toch
die amerikaanse droom
wanneer ontketenen we toch
de wereld
dit hier en nu is
oorlog
nog steeds benoemt het stropdasschorem
van schorre marktkooplui angstig
het kwaad in ruige termen
een rilling smeedt het volk aaneen
onder beeldschermstolp met aircodolk
stekend uit de rug der planeet
gilt men demokratie en doodt hoop en
bedoelt met vrijheid roofzucht en
harde handen moffelen met opgeheven hoofd
de schaduw de wanklank
achter de hekken
de tralies
waar wankelende winnaars zich terugtrekken in hun forten
mogen honden aan kettingen vechten om de botten
predikt men defekte systemen, de verliezers
laten we achter langs de weg
slapend onder reisfolders
Sieger Baljon