Amsterdam dinsdag 16 januari 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








Verslag poŽzieslag di 4 mei 2004

Verslag door Linguina
Terwijl op de televisie de herdenking in de Nieuwe Kerk plaatsvindt zit ik in Festina en worden we verzocht de twee minuten stilte in acht te nemen. Tijdens die donkere stilte zie ik wat er achter de ramen zwaait aan bomen en hoor ik de vogels de stiltes vertalen. Tot ik er een film bij geschonken krijg en besef dat ik filmbeelden herdenk en, als omdat te corrigeren, schieten me de berichten te binnen dat de rol van Nederland destijds helemaal niet zo fraai was als lang gedacht: het heeft van Europa het hoogste percentage joden verloren.

De vraag wat zou jij hebben gedaan dringt zich onvermijdelijk op: de oorlog als de ultieme morele test. Zou je de test hebben gehaald, of is dat een oneigenlijke vraag voor iemand die de oorlog alleen via films en verhalen kan herdenken? Bovendien weet je nooit van jezelf hoe je over de dingen denkt als ze echt aan de orde zijn. Een berucht experiment van een universiteit doet nederig stemmen. Een sociologisch onderzoek waarin klassen werden opgedeeld in bewakers en gevangenen dat zo erg uit de hand is gelopen dat het experiment halverwege is gestopt. Het gebeuren was de docenten boven het hoofd gegroeid. De "bewakers" maakten dusdanig misbruik van hun machtspositie dat de gevangenen tegen hen beschermd moesten worden. Onderschat nooit de duistere kracht van groepsprocessen, bedenk ik. Mijn hoofd loopt al om terwijl het stille geweld van de gedichten nog moet beginnen. Aan de andere kant heeft juist poëzie het vermogen om uit honderd en een overwegingen de essentie te destilleren.

En zie de avond begon goed met een overtuigende voordracht van Robin Block. Zijn eerste gedicht was getiteld "de dwaas en de dood". Het danste door de samenhang en cadansde over de wankele brug tussen heden en verleden, waarbij het onderwijl de dood uitdaagde. En omdat hij Rimbaud noemde als zijn favoriete dichter, vroeg ik me af of hij het eens zou zijn met diens programma: het ontregelen der zinnen. De mijne hadden daar vanavond zeker behoefte aan. Het tweede gedicht "Aurora" bevatte enkele mooie regels: "prevel haar naam en de witte lelies breken", maar ontregelend? Nou nee, en ook niet onverbiddelijk modern zoals Rimbaud eist, maar wat niet was kon nog komen. "Als we steeds verder van huis zijn wakker geworden", declameerde hij iets later. Er was sprake van taalgevoeligheid, die mij nieuwsgierig maakte.

De tweede dichter was Adjan vam Gils uit Eindhoven Een machtige gestalte met een smal zwart ringbaardje. Een van de zinsneden die langs kwamen dwarrelen was: "blijf trouw aan jezelf" En nog steeds Rimbaud indachtig, ooit de kreet "ik ben een ander" dichtend, kon ik alleen maar denken: was je maar wat minder trouw aan jezelf, dat zou je poëzie ten goede komen. Nu bleef hij steken in al van te voren vastliggende emoties en afgekloven overwegingen. "Op Lassie na is er geen hond die begrijpt wat ik zeg", dichtte Adjan, maar waar het eerste gedicht weliswaar ging over toveren, was hij jammer genoeg geen taaltovenaar. Af en toe schoot er wel een aardig beeld voorbij, maar dat beklijfde vervolgens niet door het gebrek aan samenhang in zijn poëzie.

De derde kandidaat was Rijn Vogelaar. Zoals altijd bracht hij zeer verzorgde, welluidende gedichten. De rijmsnaar stond weer gespannen maar zonder dwang. Daarnaast zouden we onderhand kunnen spreken van een 'Vogeleriaans' ritme. Verrassend voor een podiumbeest als Rijn was dat hij zich liet inspireren door een klassieke dichter als Boutens. Hij had zijn gedicht "liefdesvuur" met vuur omgesmeed tot een nieuw gedicht. Ergens in dat gedicht wordt er gevraagd wat de tijd doet. In een slam gaan de stillere gedichten soms te snel aan je voorbij. Later blijken dan vooral dit soort zinnen: "Een grote schreeuwer; je stem reikt verder dan je daden" in het oor geknoopt te zijn, maar herinner je je dat de taal even oplichtte als het water in het gedicht: "Als jij het water was".

Helaas verdronk die taal weer bijna onmiddellijk in het voortbabbelende beekje van Karel Schouten. Een slavist die wel de geur van literatuur middels veermannen en van groen ontsproten bronnen wist te creëren, maar daar bleef het dan ook bij. Misschien zou de veerman zijn dichterlijke ik tussen twee even sterke stromingen in de doodsrivier hebben kunnen laten varen, te weten hartstocht en tederheid, als hij hem geen penning had toegeworpen, maar hem de pasmunt van zijn passie had overhandigd.

Aan passie ontbrak het de volgende dichter niet, hooguit aan compassie met aan stilte lijdende oren. Een klankdichter. Op het eerste gehoor een manische kruising tussen Johnny van Doorn en Jan Hanlo met een echo van Paul van Ostayen. Hij declameerde grootse letters vanuit een boek, dat hij puur als rekwisiet bij zich droeg, maar die wel zwart op wit werden uitgeschreeuwd. BOEM dat was de geluidsbarierre, of ene decibel in de knel, de grens van publiek en privé brekend, maar er volgde geen feest van angst en pijn. Slechts de ontmaagding van zijn keel. Hij doet zichtbaar heel veel moeite om het beest in zijn keel te spreken te krijgen en dat is op zich spannend om te zien: de aderen zwellen vervaarlijk en zijn kaakspieren zijn zo in de overdrive dat ze de onderkant van zijn gezicht met hoogspanningskabels lijken te versieren. Dat alles is zeer te prijzen, maar ik zou graag eens horen wat deze alfabetman eigenlijk te zeggen heeft. Gelukkig was er nog een tweede ronde...
De zesde dichter was Edwin Grootscholten uit Den Hoorn. Een veertiger die als de eerste beste puber probeerde te shockeren met zinnen als "laatst schoot ik een meisje dood." Juist op deze dag waarschijnlijk niet de gelukkigste opening. En veel beter werd het ook niet. Het enige poetische waar je zijn gedichten op kon betrappen was een soort crue deernis met zijn eigen doorsnee rol van vader en echtgenoot.
Ook de volgende dichter Erwin Troost uit Eindhoven etaleerde enkele puberale trekjes (mocht niet roken in de trein en ik hou van ik), maar was daarin ten minste wel overtuigend.

Hij beleed zijn verlangen naar de jeugd met verve. Hij maakte dat verlangen naar de geborgenheid van vroeger voelbaar in zijn gedicht over Nederland, waarbij er net genoeg afstand was om de mogelijkheid open te laten dat dit vroeger wel eens een hoed vol spinnenwebben zou kunnen zijn. Zijn opvolger, Tompel uit Amsterdam, wist meteen alle aandacht naar zich te trekken met zijn gevoelige en tegelijkertijd stoere voordracht, vergezeld van een Amsterdams accent waarin misère en lyriek elkaar in een nanoseconde lijken te kunnen raken. Hij opende met zijn evergreens "Ongewoon" en "Sophie" ("ik denk dat we hierbij getrouwd zijn") "Jacqueline" ("mooier dan ik sprakeloos bestaat in woorden niet") en "Vleugelaar" Tompel wist datgene wat licht is zwaar te laten wegen en het zware op te lichten met schitterende ritmes.

De negende dichter was J D. Hij gaf te kennen filosofie te hebben gestudeerd en boekhandelaar te zijn. In één adem leek hij door te handelen in woordspelingen die te flauw waren voor woorden. "Hij woont in een appartement, maar wil niet meer apart" en "in deze beeldschone taal is het mogelijk om zo goed als nieuw te zijn, maar ook helemaal de oude." Zijn gedichten hadden in die zin het effect van een staaroperatie dat ik bijna nachtegaalkelen van springend glas door de luchtafweer wederom hun grijze verleden uit hoorde brullen. De oubollige humor werkte als een mistroostig echoënde tijdtunnel en het werd hoog tijd voor een poëziepauze.

In het volgende blokje bleken de nachtegalen echter niet gekeeld maar begonnen ze als vanzelfsprekend in zwart-wit over vrede te kwelen. De toon was zo gewichtig dat ze bijna onder het gewicht bezweken. "Wanneer vrede wordt het vrede?" De dichter Koos Hagen liet zijn in andermans tranen gepekelde stem langs de kruisen schallen die de witte aanblik bedierven. En ook het woord "moffen" kwam langs vliegen als een granaat van sneeuw. Zo te horen was deze dichter voor de test die oorlog heet, met vlag en wimpel geslaagd. Wit en zwart waren echter steeds zo dwingend gescheiden, dat ik de verre rode harttoon, de rode toets naast de witte en de zwarte, voor de microtonen van de hedendaagse martelaars, tussenbeide wilde laten komen.

En wel in de vraag die niet gesteld wordt bij de universele explosie van walging en schaamte volgend op de publicatie van de fotoos uit Irak. Anders gezegd: het zijn ook de "goeden" die tot dergelijke daden in staat blijken, het is het niet alleen de vijand die martelt. Het is niet alleen de slechte partij die in een oorlog doodt en leed veroorzaakt, iets wat eveneens m.b.t. de tweede WO eindelijk begint door te sijpelen. De oorlog verandert stille aardige types in niets ontziende moordmachines en stoere macho's in trillende juffershondjes. Als de knop dagenlang op doden staat keer je hem niet plotseling om. Door diegenen dan van onmenselijkheid te betichten, creëer je een scheiding tussen hen en ons. Wij en zij. Wit en zwart. Zonder dergelijke wandaden goed te willen praten, moet de oorlog hier wel als de verzachtende omstandigheid bij uitstek worden gezien.

De kans is immers groot dat de Amerikanen zonder de oorlog nooit tot deze wandaden (waarvoor zij zich overigens terecht moeten verantwoorden), zouden zijn gekomen. Mij gaat het gaat om het idee dat de barbaren altijd de ander zou zijn. Zoals eerder gezegd: Rimbaud schreef : "ik ben de ander". Tevens schrijft hij: "ons is beloofd dat de boom van goed en kwaad in de schaduw begraven wordt, opdat wij onze pure liefde vieren." Koos dichtte de boom van goed en kwaad echter naar zichzelf toe. Blijkbaar wortelt zij met haar goede helft in hem en krioelt het kwaad buiten hem op zijn zwartst. Dit alles zonder de vele grijstinten van bijvoorbeeld een man die joden heeft verborgen, maar later toch NSB-er werd, of banken die het verzet steunden maar toen de joden terugkwamen aan vermogensliquidatie bleken te hebben gedaan. Zwart en wit schema's volstaan niet om het beeld van de oorlog in te kleuren. Het is alsof je op een paar centimeter afstand naar een enorm filmdoek zit te kijken. "Zelfs als je de splinter in het eigen oog als vergrootglas neemt" (Barthes), zie je alleen maar het tot pixels vergruizelende beeld.

Een dichter met veel minder pretenties volgde hem op. Koen van Dam, muzikant en filosoof, droeg voor uit het hoofd en liet weer eens horen hoe rijmdwang met de juiste instelling tot bijzonder grappige vondsten kan leiden. Het was lightverse, echter niet van de geconstrueerde maar van de prettig gestoorde soort. Zijn zangerige alles relativerende accent zal zeker een rol hebben gespeeld en ook de bombast van zijn voorganger zal om wat relativering gesmeekt hebben, want er werd voor het eerst die avond opgelucht gelachen. Koen oreerde over de gaten in de straten van Maastricht en de mist en eindigde in het gevang. Hij dichtte prettig detonerend, als een bewuste dwaas tot aan het bizarre binnenste van zwarte gaten , terwijl hij het onderste boven verdichtte.

Lucas Laherto Hirsch, die al meerdere malen tweede is geworden in Festina, was deze avond ook weer van de partij. Hij zette in met "strepen aan de hemel", als ik me niet vergis de titel van een kampverslag van Durlacher. Zo'n titel is gevaarlijk, in die zin dat ze verwachtingen oproept die het gedicht bijna niet waar kan maken. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik het gedicht op papier zou moeten zien om tot een gefundamenteerd oordeel te kunnen komen, maar wat me wel begint op te vallen is dat zijn sterk ritmische zinnen, zoals "het is nog te vroeg om van een dag te spreken" bijvoorbeeld, soms weten te verdoezelen dat het mooie formuleringen van voor de hand liggende observaties zijn. Gehypnotiseerd door het ritme lijken de dingen even in een glitterbad gedompeld, om daarna ontdaan van hun naturelle schoonheid, weer boven te komen. "Laat mijn lichaam puzzel zijn" bijvoorbeeld klinkt mooi, maar bij nadere beschouwing: het lichaam is al een puzzel .Een echt mooie dichterlijke zin die me bij zal blijven is "ik ga dichter bij de maan wonen" uit het gedicht "zelfbesef." Daar geeft hij de werkelijkheid surrealistische trekjes mee, dan is hij op zijn best.

Last but not least kwam de Belgiese dichter Xavier Roelens het podium op. In de Vlaamse literatuur is er een sterke stroming van dichters die vinden dat poëzie ten doel heeft het bewustzijn op te rekken, geijkte denkkaders omver te werpen en ideologische vooroordelen aan de kaak stellen door verwarring te stichten. Het gedicht als instrument tot bewustzijnsvergroting. Het tijdschrift waar Xavier redacteur van is, "En er is", is in ieder geval qua vormgeving behoorlijk ontregelend; het brengt de regels van de opmaak danig in verwarring. Xaviers voordracht heeft diezelfde in verwarring brengende kwaliteit, waardoor echter tevens het effectbejag op de loer gaat liggen. Aan de andere kant is dat misschien alijd wel het gevaar bij een zeer overtuigende voordracht. En niet te vergeten het prachtige weelderige, welvende, zelfs de meest moderne woorden licht archaïsch laten klinkende accent dat zo oorstrelend werkt, dat je niet meer zo goed kunt luisteren naar wat er in feite geschreven staat. Dus ook in dit geval zou de tweede ronde uitsluitsel moeten geven.

Na driftig beraad besloot de jury dat Robin Block, Rijn Vogelaar, ACG Vianen, Tompel, Lucas Laherto Hirsch en Xavier Roelens aan die tweede ronde mochten deelnemen.

Robin Block begon en kondigde na een weinig indruk makend gedicht plotseling aan dat hij "effe ging slemme", waarna hij met een geweldig gedicht op de proppen kwam: "24-uurs metronomie". Inderdaad voorgedragen als een metronoom op drift, als had hij een tik van de tijd zelve gekregen. "Boem tsakkaboem". Goed gedoseerde herhalingen, beeldend, je zag de reizigers als "paranoïde androïden" (Radiohead) in de deerniswekkende witblauwe gloed van tl buizen langssuizen op de "monomane maat van de metronomie".

Voorwaar een "demonische fuga", waarin zelfs het woord "tsjakkaboem" meerwaarde kreeg door te herinneren aan de akelige kreet waarmee een bepaalde volksmenner ons over vuur wilde laten lopen. "Tsjakka", de instant oplossing voor alle barrières, vloog hier vrolijk uit de bocht van de grote gelijkmaker de Metro. Allen in de maat anders wordt Ratelband kwaad, terwijl men het histories besef als een transportband onder de voeten begint te ervaren. Omen est nomen. Hier was het hypnotiserende ritme zo functioneel dat je in een trein van taal op het eindstation afstevende. De haastige hartslag van de Metro die doorklinkt in de dansende cadans. Alle instrumenten van de slam werden op overtuigende wijze uit de kast gehaald. Het volgende gedicht was "Incaheks", een totaal ander genre. "Zij die met de honden leeft", een goed tegenwicht voor alle versnellingen van het vorige gedicht. Bij de Incaheks als archetype van de tijdloze cyclische natuur, konden we weer even op adem komen.

Daarna kwam Rijn Vogelaar afwisselend met oude en nieuwe gedichten. In "Icarussen" slaagde hij erin het dichterlijke ik in zweeftoestand te laten verkeren. Daar is het immers in zijn element, in een soort permanente jetlag. De "bloemen lachten naar de zon" en wilden daar niet zelf naartoe vliegen. Het leverde een mooie spanningsboog op, eentje waaruit je kon aflezen dat Rijn een vakman is en blijft.

De volgende dichter, A.C.G. Vianen, klonk in de tweede ronde als een onderzees beest dat bezeten de in de zee gedumpte zware metalen uit zijn keel probeerde te schrapen. Een soort heavy metal poëzie. Hij gromde "de wegen zijn van asfalt" en ook kon ik verstaan dat we weer naar gas terug gingen. Het onderzeebeest begon zich te verheugen op "bubbels", het had "behoefte aan lucht". Mooi gevonden. De performance zelf moest daarnaast blijkbaar het gedicht zijn. Een razende tegenzang van een dwarse aanwezigheid of een soort levende luidspreker die het in het hoofd bedachte, op het podium opnieuw geboren wilde laten worden.

De performancepoëzie moet het bij uitstek hebben van maskers als poëtische instrumenten. En inderdaad, Vianens lange paardestaart en driedelig pak als contrast ziet er lekker freaky uit, maar het gevaar bestaat dat een dergelijke uitmonstering al snel bijdraagt aan de vraag: gimmick? Ergens spreekt hij de dodelijke woorden "alles is gedicht" uit. Als zijn "woordenstroom gestopt" is wat blijft er dan over? Misschien nieuwsgierigheid?

Bij Tompel blijven er in ieder geval vrouwennamen over. Het gedicht "Lena" bevatte daarbij een mooie draai, een hoer werd verbaal genomen. Ook kwam er "tachtig centimeter plant" voorbij, gegroeid tijdens de afwezigheid van een ex. Een fraai poëtisch beeld voor gemis. Tompels poëzie heeft een verraderlijke toon; aanvankelijk lijken zijn gedichten zich tot de meer aardsere zaken te beperken maar dan weet hij door een of andere wending de geesten van het echte leven te bezweren. Tompel heeft dan ook het ruimhartige register van een blueskikker met "alleen zijn tattoes aan" tot aan een coole jazzcat.

Hij werd opgevolgd door zijn kompaan Lucas Laherto Hirsch, die "Berichten uit zijn hart" voordroeg. Wederom mooi opgeschreven poëzie, maar de vraag "is alles inderdaad gedicht" drong zich opnieuw op. "Ik ben het briefgeheim, maak mij af" is op zich een aardige woordspeling maar de hartvariaties werden niet echt hoorbaar. Aan de andere kant kan dat ook de makke zijn van een slam; het moet in het algemeen vrij direct zijn. Veel goede poëzie kan ongemerkt voorbijgaan omdat er niet voldoende tijd is om complexiteit te doorgronden. Daar staat tegenover dat een geweldige performance van een gedicht dat op het eerste gehoor onbegrijpelijk is, associaties kan ontketenen die de geest doen gaan zweven. Dat jezelf even "de ander wordt" (Rimbaud) die mee gaat schrijven aan het schaduwgedicht onder het gedicht.

Dat laatste speelde Xavier in ieder geval klaar, en niet alleen bij mij. Ook het publiek was dolenthousiast over zijn dialoog met het lichaam. Even wist ik hoe het zou kunnen voelen zonder lichaam te zijn. In notime was ik een harnas van as, waarna ik werd uitgestrooid op de wind en kosmische proporties kreeg. Zijn stem was uitermate bezwerend en ik kwam pas weer terug in Festina toen het applaus losbarstte. De "dag na een technofuif" vond ik minder sterk maar wel heel herkenbaar. Misschien zelfs iets te... De voordracht was ook iets kunstmatiger en vooral minder gedreven.

Toen was het tijd voor de jury om zich te beraden voor de finale. Voorwaar geen makkelijke klus met zoveel vakmanschap , woordsmederij en buitengewone performances. Ze selecteerde er dan ook twee uit die dat allemaal op een hoog niveau wisten te combineren: Tompel en Robin Block. De eerste zette meteen in met zijn oude hits "Missisipi Delta Blues" en "Remmington". Achteraf misschien niet zo'n handige zet, want hierdoor werd Robin a.h.w. als de nieuwe ontdekking van de avond gezien. Wij veranderden allemaal "op de andreline rush" in "het volk van de schemer" met "ogen wijd open" en vonden zelfs het effectbejag aan het eind van het gedicht over jaloezie goed te verteren. We zaten inmiddels aan het eind van de avond en dan hebben we allemaal "het vuil van de nacht al onder onze nagels." Robin won en besloot de avond met het alleen maar beter wordende Metronomie uit de tussentijd te bevrijden.

Als ik dit schrijf is het D-day. Terwijl we herdenken dat decisionday zestig jaar geleden het begin van het einde van de tweede wereldoorlog inluidde, is de wereld verwikkeld in een nieuwe oorlog, die tegen het terrorisme. De Verenigde Staten proberen beide conflicten ook inhoudelijk aan elkaar te koppelen. Net als toen staan volgens Bush de democratische landen voor de opgave de vrijheid te verdedigen tegen een totalitaire vijand en net als toen is het Amerika die het voortouw neemt. Ik lees de impressies van een Duitse soldaat over hoe de horizon zwart werd van de schepen en kijk op om de roodbloeiers op het balkon vulkanisch te zien gloeien in de avondzon. En hoe ze als dan de zon wegvalt, van rood in zwart veranderen. Een intrigerende kleurenomslag en ik bedenk hoe zwart in inkarnaatrood zit en dat we misschien al alles wat voor en voorbij de geschiedenis ligt zijn geweest. Misschien zelfs tegelijktijdig.in parallelle realiteiten

Alleen al het contrast tussen wat je elke dag te horen krijgt over de oneindige oorlog - die dankzij de media nog nooit zo dichtbij was - en het feit dat je je tegelijkertijd afvraagt of het zal gaan regenen. Het zijn dimensies die totaal niet met elkaar te verenigen zijn, maar toch doe je dat op een vreemde manier. Als het waar is dat de ziel het naar binnen gekeerde heelal is, zoals het heelal de naar buiten gekeerde ziel is dan zijn de Lancaster bommenwerpers die nu een miljoen klaprozen ter herdenking over Normandië uitwerpen, de hoog gedragen toortsen uit het gedicht "In Vlaanderens Velden" van John McCrea, waar falende handen diezelfde klaprozen - eens tussen de kruisen - nu als rode rustpunten uit de lucht grijpen. Misschien is de enige echte vrijheid de dichterlijke vrijheid, die het door een bombardement van bloemen mogelijk maakt de al decennia lang uitgebloeide bloedbloemen uit het oorlogsgedicht van John McCrea opnieuw in volle glorie uit de lucht boven Normandië te laten vallen.

Linguina