Amsterdam zaterdag 18 augustus 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








6e Grande Finale Festina Lente 20 mei 2004

Verslag door jurylid/dichter Sven Ariaans
Het was Hemelvaartsdag, een ideale dag voor podiumdichters, hemelbestormers bij uitstek, om uit te gaan maken wie zich Festinajaarwinnaar 2004 mocht gaan noemen. Het was koud, maar niet te koud en de wolken hielden hun tranen in, dus kon de Grande Finale, zoals de traditie dat voorschrijft, buiten worden afgewerkt op de brug over de Looiersgracht.

Presentator Gerard Beentjes startte de middag met het voorstellen van de jury aan de hand van gedichten. Juryvoorzitter en interim dichter des Vaderlands Simon Vinkenoog werd gelauwerd met een ode, Tweede Ronde redactrice Ieke Cialona hoorde een van haar Dante-vertalingen terug en podiumdichter, tevens kersvers nationaal slamkampioen Sven Ariaans werd gecovered met zijn gedicht "Begin".
Het daadwerkelijk beginnen werd gedaan door Robin Block, de recentste maandwinnaar. Onder het motto "ik dicht om deuren te openen" droeg hij uit het hoofd "Timmer de wieg dicht" voor. "Ik ben de rijzende ster op het vallende doek", "ik dans en daag u uit." Ritmisch verzorgd taalgebruik en inhoudelijk gevarieerd. Van enigszins obligate regels als "mijn tanden in jouw lippen, jouw vingers in mijn ruggegraat" tot een gedicht over Aurora, de godin van de dageraad. Er valt hier en daar nog wat aan te schaven, de welbekende vergelijking met een ruwe diamant drong zich op, maar een rijzende ster is Robin zeker.

Uitgekristalliseerder is de poëzie van de Haagse Jet Crielaard. Zoals gebruikelijk kwam ze weer met een repeterende openingszin op de proppen, waaraan ze haar gedichten ophing. In dit geval was dat "ik denk dat als hij wakker wordt..." Wakker werden we zeker, al was het maar door haar lichtelijk agressieve toon, waarschijnlijk ingegeven door de omstandigheid dat het publiek buiten nu eenmaal wat moeilijker te bereiken is dan binnen in Festina. "Als een razende trein zou hij willen zijn", dichtte ze, "noodremloos". En dat was ze poëtisch gezien, maar gelukkig met taal die vakkundige beheersing verried.

De derde dichter van de middag, Sieger Baljon uit Amersfoort, leek het moeilijker te hebben. Op zich was er met zijn voordracht niets mis. Hij startte met zijn klankgedicht waarmee hij mij al meerdere malen had betoverd, vervolgde met 'geluksparadox': "geluk voelt geen boeken, omdat alles er bij stilvalt", om daarna een troefkaart uit te spelen; het beste gedicht van de maand waarin hij won ("een kind die dat ziet, maar die regeren niet"), waarna hij eindigde met 'Lowlands paradise by the dashboardlight'. "Golfkartonnen bedrijfsterreinen", "dit is mijn land." De vinger viel er niet precies op te leggen, maar ik vrees dat er iets mis ging in het contact met het publiek. Dat reageerde niet. Waarschijnlijk was ook in dit geval de buitenlocatie daar debet aan.

Binnen de muren van het café ontstaat als vanzelf een intieme sfeer die ritmische, geëngageerde dichters als Sieger in staat stelt om het publiek te hypnotiseren en de innerlijke noodzaak van zijn poëzie over te brengen. Buiten komt de "dwaze prediker" misschien eerder over als clown dan als profeet.
Iemand die ook iets clownesks had was Sander Koolwijk, maar hij vervulde die rol op bewustere wijze. De voordrachtstoon deed denken aan die van de absurdistische dichter/cabaretier Bernard Christiaanse, de inhoud daarentegen was concreter. "Vodka werkt langer dan Red Bull", en "een karig salaris met vele nullen en misschien een enkele 1". Ook bediende hij zich van spelletjes met woorden, iets waar ik zelf geen fan van ben, maar in het kader van de objectiviteit noteer ik er hier toch een paar: "elke keer als ik mijn slag wil slaan, raak ik van slag", of uit het gedicht "er heerst onrust in dit huis": "en ik rustig wachten kan, tot de onrust weer opnieuw begint".

Het tweede blokje van de eerste ronde werd geopend door de organisator van de vroegere poëzieavonden in de Badcuyp, Merik van der Torren. Merik maakt in zijn al lange dichterlijke carrière op dit moment een plotselinge en daardoor opmerkelijke ontwikkeling door. Het is alsof hij na decennia eindelijk zijn toon gevonden heeft. "Men dwingt mij de coördinaten op te geven van waar ik kwam", debiteerde hij enigszins aangeschoten, maar daardoor des te effectiever. "Schreeuw geen onzin zei de brugwachter", "laat je biertje staan". Ik was blij dat hij dat niet had gedaan. Merik nam ons op sleeptouw naar zijn eigen "perenpaviljoen", waar we "een glas wijn dronken, de tekst vergetend, de karakers vloeiden uit." Merik was vergeleken bij zijn twee voorgangers een surrealistischer clown, en daarmee poëtischer.

Kees van Houten, de zesde deelnemer van de inmiddels in avond getransformeerde middag, had te kennen gegeven geïnspireerd te zijn door Beaudelaire en zulks bleek ook uit zijn poëzie. "Ik heb genoeg van zich opstapelend kadavervolk" en "de horizon boert als de bliksem". Daar stond tegenover dat hij zich nogal fanatiek bediende van het instrument herhaling en dat in niet altijd even dichterlijke taal. "Neem een slokje van je bier" was zo'n zin die repeterend terug kwam in zijn eerste gedicht, en in het derde en laatste gedicht werd met "wanneer iemand gesprongen is, gaat als een lopend vuurtje..." hetzelfde gedaan. Jammer, want er kwamen enkele veelbelovende zinsneden voorbij die een grotere poëtische potentie deden vermoeden.

De kwaliteit was, zoals je van een Grande Finale mag verwachten, erg hoog op 20 mei, maar onvermijdelijk blijkt er na afloop van het seizoen toch een enkele maandkampioen van de armoede te zijn doorgeglipt naar de eindronde. Misschien klinkt het gemeen, maar Mieke Hoekzema had op de finale van Festina niets te zoeken. Waar haar motto, "prop uw mopperkont in de magnetron" al het ergste deed vermoeden, zakte mijn broek nog dieper af bij opgetakelde eeuwenoude kleutercitaten als "wat je zegt ben je zelf, met je kop door de helft", pogingen tot sentimenteel effectbejag; "alleen met de kerst terug in de lege belbus, ken je dat?" en zelfingenomen gebrachte rijmvondstjes als "de Katja Schuurman van de buurman." Mieke zette "de schuurdeuren wagenwijdopen, dat klinkt dan wel ontluikend", maar nee, inderdaad Mieke, dat was het niet.

Maar toen was daar Bernard Wesseling. "Gevraagd naar het thema God zei hij zich daaromtrent geen illusies te maken", zo liet hij zichzelf aankondigen om vervolgens het podium op te stappen met de woorden "rock out, with your cock out". Volkskrantjournalist Robert van Gijssel schreef n.a.v. het Nederlands slamkampioenschap 2004: "een avondje pubermeisjespoëzie" en kwam teleurgesteld met de vraag: "is het vuur dan nu al uit de poetryslam?" Nee meneer. Er staat een complete generatie terecht te trappelen. "Toen bleek er ruimte voor een cartooneske droomconnectie", "jagers die bij bosjes aan faalangst bezwijken."

Bernard Wesseling, al jaren een van mijn favoriete (podium)dichters kwam vorig jaar niet opdagen om zijn rechtmatig toegekende plaats te bezetten op het door zijn collega's zo fel geambieerde nationale poetryslamkampioenschap. Vanwege "treinkaartjesgeldtekort". Faalangst? Ik weet het niet. Wel weet ik dat de Poulidor van de Festina Grande Finales het vertikt het om concessies te doen. En juist dat maakt hem zo mooi. Met een vet aangezet Amsterdams accent exploreerde hij de platte kant van het leven ("lang zal je leven in de horeca") n.a.v. een uitnodiging voor het "feest van Jeffrey".

Om daarna met vers verworven volwassen inzicht terug te grijpen op zijn jeugd; een "zondag in Zeist", een gedicht over voetbalmanie waarin vader een kind wordt en het kind enerzijds kind blijft ("want onze Volvo komt er toch!"), maar het tafereel anderzijds aanschouwt met een nostalgische blik ("zo zondag wordt het nooit meer"). Het klinkt wat simpel, zo uit de context gerukt, maar het is dan ook erg moeilijk om Bernard te vangen in zijn zinsneden. "God die uit verveling huilende mensen telt" zou er een kunnen zijn, maar het is vooral een sfeer die wordt opgebouwd, waaraan de individuele zinnen ondergeschikt zijn. De zinnen zijn de kleuren op zijn palet, het gedicht zijn schilderij.

Na Bernard trad de andere Festinaveteraan van het eerste uur aan: Mohs Volke. Hij begon met een bekend gedicht: "Ik weet twee dingen". Hij droeg voor uit het hoofd, maar zoals wel vaker op spannende belangrijke momenten raakte hij al snel zijn tekst kwijt. "Lach dan vader om mijn hoogmoed", debiteerde hij even later, maar hier was geen sprake van hoogmoed. Hier stond een echte dichter, die het soms ook allemaal even niet meer weet. Want "het is allemaal al gezegd.. Rimbaud, ACG Vianen." "God heeft mij de dood gegeven om naar uit te kijken", dichtte hij mistroostig, om zichzelf daarna godzijdank terecht te herpakken met zijn slotzin: "Suck my Moby Dick".

Pim te Bokkel nam deze hervonden zelfverzekerdheid ter harte en stapte het podium op met de woorden "Ik doe mijn beste." Hij begon met "Ongeloofwaardig"; "dit is waar het herkenning zoekt en verder gaat". Verder ging het inderdaad: "de baby knikt en krijst wat chaos de kamer in." Om iets later te concluderen "dit is waanzin." Daarna bleek het tijd voor "scheuren in een slecht verhaal".; "Jij at tandpasta en ik keek toe hoe jij borsten kreeg en een vriend met een scooter", waarna hij eindigde met "en daar bleef het toen bij". Ondertussen had het publiek wel een dichter aan het werk gezien die zeldzaam begaafd met woorden alle zintuigen raakt. Pim te Bokkel hoor en zie je niet alleen, je voelt hem ook, als je je daar tenminste voor openstelt. Bezwerende verhalen, die misschien net als bij Sieger en veel anderen, nog beter tot hun recht komen binnen de intieme muren van het café.

Datzelfde geldt ook voor Peter Masareeuw, de elfde kandidaat. Peter kennen we vooral van de kleurengedichten, die op de binnenlocatie soms betoverend werken. Dit keer begon hij zijn voordracht echter met "Woorden". "Er zijn woorden van lucht en woorden met schoenen aan." Gaan onaardige opening. Helaas schakelde hij daarna over op taalspelingen met die zinnen: "weten waar de schoen knelt" en "daar trekt hij de stoute schoenen aan". Toen dit niet bijster enthousiast werd ontvangen viel hij terug op "King Colour" om te besluiten met de evergreen "groen". Het mocht niet baten. "Het is een onvoorstelbaar harde werker, denkt geel", maar hoe knap en hoe prachtig ook, deze gedichten, aan het publiek, de stenen van de straat en het water in de gracht, leken ze niet te zijn besteed. "Maar het is tijd en ik moet wijken."

Dat deed hij voor Tompel, op het laatste moment invaller voor Onno Sven Tromp, die niet was op komen dagen. Tompel was dit keer erg op dreef. Hij begon uit het hoofd met het gedicht nul, dat was na te lezen in "Poezine", het nieuwe poëzietijdschrift van Philip Fokker, waarvan het nulnummer ter plekke werd verspreid. "Nul" is een van de betere gedichten daaruit. Hij vervolgde met "funeral blues", noemde de naam "WH Auden" en kwam met de prachtige zin "Gooi een baksteen door de zon of hou je hand ervoor". Zijn slotgedicht, "Lena" was bekend, maar niet minder briljant. Het hogere lightverse; de dichter komt bij een hoer, waarbij het hem niet lukt om te neuken, maar wel om te schrijven over het gebeuren. De slotstrofe: "je was een mooi verhaal, ik ben wel 50 euro lichter, maar kijk ik ben een dichter, en ik neem je wel verbaal."

De eerste ronde werd besloten door Lucas Laherto Hirsch. Net als Tompel lid van het dichterscollectief de Residentie en tevens vervangend kandidaat, in dit geval voor de Belg Xavier Roelens. Laherto begon met "Spreekstof" ("het schuurpapier is op vandaag, vandaag zijn wij de sfinx"). Daarna een klassieker, "Vinex" om te eindigen met "Poëzie kom uit kelders"; "O poëzie, kom buiten spelen", "en spuug de poëzie in de ogen van de klant". Dat deed hij op aangename wijze. Vreemd genoeg leek de buitenlocatie hem I.t.t. veel anderen juist goed te doen. Het kan hebben gelegen aan het feit dat hij,eveneens I.t.t. veel anderen, noodgedwongen nuchter was vanwege medicatie t.b.v. zijn versgetrokken verstandskies, maar hier stond iemand die het publiek wel wist te bereiken met zijn toch niet altijd even gemakkelijke poëzie.

Tijdens normale Festina-avonden zou nu de jury beslissen welke vijf kandidaten er door mochten gaan naar de tweede ronde. Echter, omdat dit de Grande Finale betrof, een wedstrijd tussen dichters die hun kwaliteit reeds hebben bewezen, kreeg iedere deelnemer andermaal drie minuten voordrachtstijd toebedeeld. Misschien was dat achteraf iets te veel van het goede. De magen van het publiek en de dichters begonnen inmiddels steeds luider te knorren, iets wat, omdat voedsel niet direct voorhanden was, noodgedwongen werd verholpen met een aantal extra drankjes, en bovendien was het ondertussen vrij koud aan het worden.

Niemand leek daar op te zijn gekleed. "Hier staat de ganse natie naakt", wreef Robin Block ons ook nog eens onbedoeld voelbaar in, aan het begin van de tweede ronde. Om daarna godzijdank zijn sterkste gedicht, "24 uurs metronomie" voor te dragen. Jet kwam eveneens weer sterk voor de dag met het bekende "de vliegende vis en het vleugellamme meisje", waarna presentator Gerard Beentjes, per ongeluk Sander Koolwijk I.p.v. Sieger Baljon het podium opriep.

Sander kwam met een prachtig geëngageerd en bovenal nieuw gedicht over de recente aanslag in Madrid ("waar melodiën van mobieltjes onveranderd spelen bleven", om daarna terug te vallen op zijn bekendere werk. Sieger deed vervolgens enkel oud werk. Op zich niks mis mee ("onze zielen zijn babbelaars, onze cellen gehuchten"), maar we kregen het er niet plotseling warmer door. Merik vrolijkte ons tijdelijk weer even op, maar op een gegeven ogenblik was ook zijn "tijd voorbij, het bezoek was inspirerend." Kees deed zij gouwe ouwe, "Zeedijk", Mieke was plastisch in "lui lekker liquid": "gestoffeerd met slijm van de snol" en "de klankkleur van de stiftandteef is leeg", maar ze bleek wederom niet echt "bagage voor de zielsverhuizing". Bernard wel, ondanks, of misschien juist wel omdat hij al even plastisch was en het had over "zijn stoelgang is als het oog van de naald" om te eindigen met het gedicht "ontroerend portret van de mens als lijk".

Mohs sleepte ons dieper het huis van de poëzie in met het dit keer strak uit het hoofd gedebiteerde "geheim van de dichter", dat "niet ondekt of veroverd wil worden", maar leeft "in bloemen en geopende harten." Verder repte hij over "de twee grootste vergissingen; de fantasie en haar ego: de herhaling". Pim te Bokkel bracht in de tweede rond zijn inhoudelijk gewaagde poëzie. Balancerend op het etnische randje "volgens mij loopt er een neger achter mij" bracht hij de spanning terug, allerminst "de taal is dood, zoals alleen een hondje dood kan zijn", maar helaas zou uiteindelijk blijken: "er zijn grenzen, u kunt gaan."

Peter Masareeuw bleek vervolgens een nieuw kleurgedicht te hebben geschreven; "grijs", waarin "zwart zich adel weet", maar kon toch niet zonder "Geel", waarmee hij eindigde. "Prachtige gele rozen trouwens, zijn die werkelijk voor mij?" Nee, en ook niet voor Tompel, hiewel hij niet slecht voor de dag kwam met o.a. het nieuwe "Deer Hunter"; "in elkaar geslagen om een gedichtje in de trein van Den Bosch naar Amsterdam en sterk, maar bekend oud werk. Laherto droeg 'voor zijn lief' "Stroomlijn" voor; "een fenomeen uit ochtendstof, zintuiglijk verzameld". Vervolgens was "Het nog te vroeg om van een dag te spreken", maar zal hij achteraf hebben gedacht: donderdagavond "heeft iets magisch", want Laherto, de eeuwige tweede in de maandedities van de poëzieslag, haalde hiermee als invaller de finale van de Grande Finale.

Een finale waarin hij het op mocht nemen tegen de twee eerste kandidaten van de avond; Robin Block en Jet Crielaard. Hoe kon hij anders dan door te gaan op de ingezette koers en "Berichten uit mijn hart" voor te dragen, hoewel je zinnen als "met wespen betoon ik je zoveel nest" en "het is aan dictators om staal lief te hebben" daar niet direct in zou verwachten.

Jet zocht daarna de "Vluchtstrook" op. "Geloven is een vlucht, zei hij, van 9 tot 5 in de kerk en bidden maar", declameerde ze met Erik-Jan Harmens-dictie. Op diezelfde vluchtstrook raasde ze voort. In een moordend tempo bracht ze daarna haar bekende poëtischere werk ("als ik op mijn tenen ga staan ben ik net groot genoeg om door mijn oogkassen te kijken").

De afsluiter van de avond echter, bleek een regelrecht "gordon du testosteron", in zijn eentje "een jonge dolle garde". "Er scheen een maan om naar te huilen", "het mannenkoor zong zich hees" richting "het vechtvolk in de straten." Hij eindigde met een imitatie van, en tegelijkertijd een ode aan ACG Vianen: "Normen en Waarden" dat geleidelijk overging in "wormen en maden". Weliswaar een (niet van ACG Vianen) gejatte grap, maar dat zij hem vergeven. Hier fonkelde een nieuwe ster aan de hemel, een dichter met passie. Hij werd dan ook door de jury verkozen tot de winnaar van de Grande Finale 2004. Hieronder kunt u zijn totnutoe allerbeste gedicht lezen.

Maar niet voordat ik gemeld heb dat de publieksprijs ging naar de Poulidor, ons aller Bernard Wesseling. Hij bracht een prachtige toegift; het gedicht 'Wim', waaruit de zin "Genien, zo beredeneerde hij, zijn vaak Joden. Dat was hij dan ook."
Sven Ariaans

24-uurs metronomie
Dit is de zweepslag op hun vel, jawel de roffel in hun polsen!
Dit is de zweepslag op hun vel, jawel de roffel in hun polsen!
De lucht is een aambeeld, met bloedende meeuwen, as in spiralen
De stad ze ontwaakt met het holle heien van metalen palen,
Het pulver in de wind en het scheuren van de aarde
Boemtek kaboemtak Boemtek kaboem Boemtek kaboemtak Boemtek kaboem
Dit is het bonken in hun keel, dit is de zweepslag op hun vel, dit is de roffel in hun polsen
Dit is het slagveld op hun vlies, dit is de helse ritmiek van de dovemans polka.
En de drum slaat en de drum slaat,
Allen in de maat van de metronomie
De lucht is een aambeeld met bloedende meeuwen, dampende zwavel
De stad ze ontwaakt met de malende wiek van de mallemolen,
Het klappen van de vlaggenmast, de koekoek in de klokkentoren,
Boemtek kaboemtak Boemtek kaboem Boemtek kaboemtak Boemtek kaboem
Zo schudden hun hoofden over het spoor, zo beuken de hamers op hun slapen
Zo verzilvert het flitslicht hun haren, graaft de inkt zich een weg door hun plastic gelaten, Tikken ze de dag weg met botgebeten nagels
Zo rammelt en ranselt de rails hun vermoeide lichaam af.
Zo haasten ze de trappen op en de trappen af
Zo slokken de echo's hun stappen op
En slaan ze af
Naar hun 1000 kantoren
Naar de krijsende torens
En snijdt het kinderwijsje hen langs de oren,
Jaagt de wind zijn eskaders voort en,
Onzichtbaar is zijn slavenkoord, maar zijn strop is zo voelbaar
Muggenzwermen, zoemcello's, razende bloedbaan
Allen op de vlucht voor de duivelse fuga
Allen in de maat van de metronomie
In de tussentijd
Hun bleke gezichten
In de tussentijd
Gele tanden, wrange lippen
In de tussentijd
Holle ogen, felle lichten
In de tussentijd
Zijn zij enkel passanten
Want zijn geen van allen
Hier
Allen in de maat van de metronomie
Boemtek kaboemtak Boemtek kaboem Boemtek kaboemtak Boemtek kaboem
Zo scheurt een haar los in een betonnen hoofd, er springt een ader in een rokerig oog
Zie ze zitten achter krantenkoppen, inkt aan hun vingertoppen
Zwart als de vegen van de veel te korte nachten die hun leden bekleden
En hun dromen laten hangen.
Sla het gade: die grimmige parade, moordenaars op modderzolen, muitende soldaten,
Mummies van papier-maché marcherend in de maat
Marcherend in de maat van de metronomie
In de tussentijd
De wind, de ruis, de regen
In de tussentijd
De rimpels vouwen vegen
In de tussentijd,
Zijn zij slechts figuranten
Want zij zijn geen van allen
hier
Allen in de maat van de metronomie
Allen in de maat van de metronomie
Robin Block