Amsterdam zaterdag 18 augustus 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








Verslag poŽzieslag di 4 januari 2005

Verslag door jurylid/dichter Sven Ariaans
"Ik vond Erik Jan heel zielig dinsdag, hij moest jureren in Festina Lente bij de maandelijkse poëzieslag. Het niveau was zo ontzettend slecht en Erik Jan moest het juryrapport voorlezen. Hij moest lieve dingen zeggen over ontzettende baggerpoëzie. Dat is echt heel zielig!"

Laat ik er niet om heen draaien; de dames van het slijmlog (www.slijmmetonsmee.web-log.nl.), de Story/Weekend/Privé van dichtend Nederland waar ik dit citaat vanaf heb geplukt, hadden gelijk. Het was over het algemeen niet best wat er op 4 januari op de Festinaplanken werd gedebiteerd door de aanstormende 'dichttalenten'. Waar het aan lag? Ik weet het niet. De maand daarvoor was het niveau nog van bijna ongekende hoogte geweest, met dichters als Babak Amiri, Maarten Das en Bernard Wesseling. Oude bekenden, regelrechte Festina-veteranen, maar op die 7de december van 2004 was er tenminste een aangename, excusez le mot, tsunami van poëzie over ons uitgestort. Op 4 januari 2005 was de spoeling aanmerkelijk dunner.

Als eerste trad Jeanette Kleiberg aan. Ze gaf aan al 4 à 5 jaar te dichten en had het in die periode weten te schoppen tot de eerste stadsdichteres van Beverwijk. Naar eigen zeggen geïnspireerd door Vasalis begon ze met het gedicht 'Zelfportret', met zinnen als "okergeel / zodat niemand ziet / dat dit een zelfportret is van verdriet". Ritmisch in orde, maar op zijn zachtst gezegd cliché en dan heb ik het nog niet eens over "laat me luisteren naar je geluid / je zilte lippen op mijn huid" uit het tweede gedicht: 'Strand/Zee'. Er iets liefs over zeggen? Ze bleef de volledige 3 minuten dapper enthousiast declameren. Ze zal circa 50 jaar oud zijn geweest, maar had nog steeds iets van die vertederende uitstraling van een schoolmeisje dat tijdens een spreekbeurt haar beste beentje probeert voort te zetten.

Een professionelere voordracht mochten we verwachten van Wim Dekker, van oorsprong acteur met een Indonesisch verleden die tegenwoordig reisleider en toneelschrijver is. En het was waar, hij maakte gebruik van toneeltechnieken, zette zijn tweede gedicht, 'gevang', in met een vet Indonesisch accent, maar dat kon niet verhullen dat zijn poëzie ontsproten bleek te zijn aan een rijmdwangneurotische schepper. Verder ondanks zijn banden geen woord over de ramp. Maar misschien kwam dat door het reisleiderschap.

De 3de kandidate, Sonia ter Vaams, kwam wel met een stevige verwijzing. In het versgeschreven 'Over de Tsunami' haalde ze op het laatst een oud kinderliedje aan; "handdoekje leggen, niemand zeggen", dat ze eindigde met "hier leg jij je handdoekje neer". Aardig, maar niet geniaal. Wel charmant. Eerder was ze een goedbedoelende moderne romantica gebleken met "je haar is ruiger dan ieder etablissement op het Leidse Plein zijn kan / jij bent mijn hoofdstad! / jij bent mijn Singel!", maar zodra ze de poëtische weg insloeg vloog ze uit de bocht: "ik glijd langs de bielzen van mijn herinneringen" (uit 'Het oude spoor').

Pauline de Manz, werkzaam bij de Hoogovens, en tevens de inmiddels 3e (!) stadsdichteres van Beverwijk probeerde ook poëtisch te beginnen en wel met het gedicht 'Woorden'. "Hoera ik ben geboren / en ik heet gedicht". Tsja. Misschien dat ze in Beverwijk wel warm worden van grote levenswijsheden als "liever de lusten dan de lasten, want je leeft maar eens!" (uit het gedicht 'Kraaienpootjes'), maar persoonlijk kreeg ik er niet direct brandwonden van. In het vierde gedicht, 'bevlogen', veranderde ze plotseling van koers. Ze ging op de cabareteske tour en liet een merel aan het woord: "ik neem een pilsje". Mijn god, wat was ik daar aan toe: pauze.

En na die pauze was er even bijna een blokje lang sprake van enig licht in de duisternis. Het begon met Sjeroom Smits. Een oude bekende, en waarom ook niet. Een dromende maar zelfverzekerde onderwijzer op dichterspad. Zoals wel vaker bij poëzie was het moeilijk om de vinger te leggen op wat er nou precies zo goed was, maar voor het eerst die avond was het publiek ademloos stil en gaf het applaus tussen de gedichten door. Sjeroom begon met "Je rokken wikkel ik wel af", vervolgde met "de muren zijn jouw deuren / de lucht al jarenlang jouw huis", waarna medejurylid Erik Jan mijn blaadje naar zich toetrok en "Godzijdank" tussen mijn aantekeningen pende. Hier leek tenminste eindelijk eens een dichter aan het woord.
En zowaar, ook Savanne, een wereldreiziger die zich sinds kort weer op de Nederlandse podia waagt en die aangaf geïnspireerd te zijn door Brodsky, bleek iemand waarvan een gedicht geen straf is om aan te horen. "Zal ik thee maken lief, of zal ik spullen inpakken om te vertrekken" (uit het gedicht 'Impassie') [wintertijd]
Daarna was het alweer gedaan met de kwalitatieve opwelling.

De zevende dichter, Edwin Veenendaal uit Utrecht, "dichtte vanuit de drank", zoals hij presentatrice Roos liet vertellen en kwam vervolgens voornamelijk met nietszeggend lightverse. En dat met gebruik van archaïsche taal. Iets wat op zich een toegevoegde waarde kan hebben, maar niet in de gedichten van Edwin. Hij merkte dat het niet aansloeg en kwam plotseling met een sonnet over de tsunami. Het eindigde met de zin "Arielleed in bier verdronken". De 14 zinnen waren grappig bedoeld, ze barstten uit hun voegen van effectbejag, maar er was geen levende ziel die er om kon lachen. Waarop hij terugkeerde naar zijn vertrouwde stijl. Het gedicht 'Dagdromen' met het woord "dichtvertier". Ik heb het gedurende zijn drie minuten niet mogen beleven.

De laatste dichter uit het tweede blokje was de 26-jarige Floris Beukelom. Een Aio geschiedenis uit Groningen, thans wonend in Amsterdam en fan van Lodeizen. Dat bleek niet direct uit zijn poëzie. Hij bracht korte prozaïsche gedichten, die ondanks hun geringe lengte nogal wat herhalingen bevatten; "Nu schrijf ik mijn verhaal". Je kon bijna niet anders dan vermoeden dat hij weinig te zeggen had. Een gedicht over filosofen: "uren en uren praatten zij en dronken daar veel koffie bij." In die koffie kreeg ik op dat moment vreselijk veel zin. Ik was inmiddels half in slaap gevallen. Maar als een duveltje uit een doosje was daar plotseling een verharde toon waarmee tijdens het laatste gedicht de zin "in deze godgloeiende kankerwoestijn" werd uitgesproken. Niet lang daarna gevolgd door de slotwoorden "hij stapte in en reed 4 keer langzaam over mij heen." Ik was weer wakker. Maar te laat om nou precies te begrijpen waarover het gedicht was gegaan. In ieder geval niet over Paris-Dakar. Denk ik. Maar misschien ook wel.

Pauze en koffie dus maar. Waarna Kees Samson, een wat oudere man die dicht sinds 1970 en die aangekondigd met zijn motto "door zijn weemoed wordt zijn toekomst steeds bijzonderder" begon te declameren over een "zwerver". "De straat verplaatst zich" en "ik loop door in de nacht die niet gaat slapen." De nacht misschien niet, maar ik kreeg opnieuw moeite om mijn ogen en vooral mijn oren open te houden. Hoewel het geen onsympathieke man was, Kees, hij deed me denken aan de ouwe trouwe Csereb, een voormalige Festinaveteraan, een Hongaar met een groot gevoel voor engagement, maar net te weinig talent om dat in goede gedichten tot uitdrukking te brengen.

Merijn Hilte, de 10e dichter van de avond, deed me in de verte denken aan Quirien van Haelen, de ambitieuze maar sympathieke Limburgse lightverse dichter. Soms helpt het om dat soort vergelijkingen te maken. Nostalgische gedachten kunnen je er op zo'n beroerde avond als deze doorheen slepen. Merijn kwam van het iets minder zuidelijk gelegen Nijmegen en rijmde er vormvast op los. "lanterfant", "krant" , "misverstand" - uit het gedicht 'De Lanterfant van Appelscha'. Met accent. En ik ben verzot op accenten. Het heeft iets authentieks, iets ontwapenends, iets liefs, iets eerlijks. En dat kan een goede spanningscombinatie vormen met lightverse.

Ook in 'Ongeloofsbelijdenis' het nodige rijm, dat net als in 'Lanterfant' tot het eind toe wordt volgehouden, in een schema met een spanwijdte van het hele gedicht. Ook ritmisch prima verzorgd. Niet onaardig, maar ik miste iets. Moeilijk om de vinger te leggen op wat precies, maar mij bekroop het gevoel dat het ontbrak aan innerlijke noodzaak. Hoe vormvast ook, inhoudelijk had het iets vrijblijvends. Voor iemand met dergelijke technische vaardigheden kwamen de gedichten over als etudes, als vingeroefeningen.

Maar misschien moet het grote gedicht, de symfonie nog komen.
En dan was daar ten slotte nog Emil. Achternaam onbekend, maar in ieder geval 25 jaar oud en afkomstig uit Den Bosch. Werkzaam bij een arbeidsintegratiebureau en fan van Hiphop en Beaudelaire. Over integratie gesproken. Helaas kwam daar in de praktijk weinig van terecht. Ruim voldoende hiphop, in die zin dat het woord tot vervelens toe letterlijk voorkwam in zijn gedichten (o.a. "lief, hiphoppend" - over een man die een vrouw blijkt te zijn), maar de ouwe trouwe (kouwe) Charles zal weinig van zichzelf terug hebben kunnen vinden in het werk van Emil. Nou ja, het rijmde. En daar is alles mee gezegd.

De jury, zoals altijd bestaande uit Simon Vinkenoog en mijzelf, plus nu dus Erik-Jan Harmens, was blij dat de eerste ronde voorbij was, en droomde van een mogelijkheid om de tweede ronde te skippen en maar direct door te gaan met de finale. Meer dan twee gegadigden voor de eindoverwinning zag zij toch niet. De organisatie echter besloot anders en zo gebeurde het dat naast Sjeroom en Savanne ook Floris, Edwin en Merijn nog altijd konden blijven hopen op de 70 euro en de bijbehorende eeuwige roem. Die overigens meestal duurt tot sluitingstijd, of op zijn best tot en met de afterparty in café Weber/Bitterzoet/de Doffer. Zowel die roem als die 70 euro.

In het verleden zijn er uitzonderingen geweest, maar helaas lijken die steeds schaarser te worden. Vergeef me mijn somberheid, maar geloof me als ik zeg dat de aanwas van nieuw talent in de tweede helft van 2004 plotseling is gestokt. Waar zijn jullie? Waar zijn de nieuwe Tjitskes, Erik-Jannen, Eusen, Maarten Dassen en Bernards? Ik zie jullie nergens. Niet bij de Wintertuin, niet in Groningen, niet in Utrecht, niet in Rotterdam, niet in Eindhoven, de laatste pakweg 7 jaar toch allemaal broedplaatsen van zich ontluikende dichters, maar het ergste nog: tegenwoordig dus ook niet meer bij Festina, de kweekvijver pur sang.

Kom! en kom alsjeblieft snel, want het valt me steeds zwaarder om dit soort overbodige verslagen te moeten schrijven over 1. Poëzie waar niemand wakker van zal liggen en 2. Poëzie waar niemand van geniet. Geen teasers en zelfs geen pleasers. Wat de laatste tijd aantreedt is een slordig schrijvend legioen dat rijmelt over voornamelijk zichzelf. En dat zonder ook maar een oog voor een eventueel interessant detail. Een grauwe massa die dicht als een grauwe massa, gelijk de manier waarop een computerprogrammeur denkt dat het interessant is om eindeloos uit te wijden over de voordelen van alternatieve besturingssystemen voor Windows, tijdens de babyshower van een vage vriendin van je vrouw. Je zou nog liever de belastingen doen. Had je tenminste iets nuttigs gedaan.

Voor een illustratie van de tweede ronde zou ik willen volstaan met een rijm van Edwin: "Frustratie... Geen inspiratie". Na die tweede ronde mocht naast Sjeroom en Savanne, dankzij het publiek ook Merijn nog een finale beleven. Merijn, met overmacht winnaar van de publieksprijs, kwam in die finale o.a. met het gedicht 'Thuis'. Het bevatte nogal wat woordspelingen, iets waar ik zelf niet zo'n fan van ben, zoals "zij zegt altijd dat ik haar serieus moet nemen", en "ik woon hier, dus doe ik maar net alsof ik thuis ben", maar was desalniettemin van een ander slag, iets minder vormvast en kwam in de overige zinnen toch een stuk poëtischer, of minstens vervreemdender over. Het maakte in ieder geval nieuwsgierig naar meer werk van deze jongen.

Vervolgens kwam Sjeroom. Die werd almaar dronkener, op zich wel begrijpelijk gezien het verloop van de avond. En dan Savanne. Tsja Savanne.
Hij bleef wat mij betreft als enige werkelijk overeind in deze overstroming, tijdens deze avond met toch voornamelijk, om slijmlog nogmaals te citeren, "ontzettende baggerpoëzie". En Savanne zegt het zelf niet slecht, nee mooi zelfs: "Niets komt te laat, het was er altijd al"... Hieronder treft u, naast een gedicht van publieksfavoriet Merijn, het gedicht van Savanne, waar ik deze zin uit heb geplukt.
Sven Ariaans.

DE LANTERFANT VAN APPELSCHA
Kijk daar gaat de Lanterfant
Treuzelaar uit Fanterland
Onder zijn arm de ochtendkrant
En de mensen zeggen jajaja
Kijk daar gaat de Lanterfant
Die dissonante bon-vivant
De vogels eten uit zijn hand
En de meisjes roepen oe-lala
Kijk daar gaat de Lanterfant
Aan de nietsnut nauw verwant
Van trammelant een afgezant
De Lanterfant van Appelscha
Kijk daar gaat de LanterfantMeester van het misverstand
Hij fantert aan de overkant
Zijn lanter lachend achterna
Merijn Hilte

EEN LIJF GROEIT TRAAG, ZONDER GERUCHT
Onder de huid, strak van angst
Staat een donsbed opgemaakt.
Een hand tast trillend, vindt de muur
Van haar afgezakte schouder.
Zoals een duivenoog bij donderslag
Haar blik in veren hult, kleuren het best afsteken
Tegen onweerslucht: wit, rose, grijs en blauw.
Kijk bij dat licht hoe schamel, stug,
Pontificaal stof op tafel, woorden
Onder nagels blijven kleven.
Zorg niet voor ideeen, daar wordt voor gezorgd
maar voor je scheergerei. Dan, terloops verrast
Laat je het mes vallen, wordt biggelend bloed
Op gladgestreken vlak door een ongelovige betast.
Even postuum stuurt de schilder verf en kwast
Een katoenen wereld in.
Niets kom te laat, het was er altijd al.
En wat nog komt, is minstens onderweg
Als polderhelden die opstaan voor de klokken luiden,
Hun dek en lakens om zwanenhalzen slaan,
Slib afvoeren en het doos gemaal bewegen.
Zij sussen het water dat zich opstuwt
Achter Holland's zwakste dijk.
Een lijf groeit traag, zonder gerucht
Weet een man, een vrouw een zee vol angst te keren
Nog stiller zingt een hart door de uitgestorven straat
En kan men schrijven met de ogen dicht
En sprekend zwijgen leren.
Savanne