Amsterdam zaterdag 18 augustus 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








Verslag poŽzieslag di 1 februari 2005

Verslag door jurylid/dichter Sven Ariaans
De versverkozen dichter des Vaderlands Driek van Wissen wordt door een groot gedeelte van de gevestigde literaire orde denigrerend een rijmelaar genoemd. Rijmen is een tijdje not done geweest in de Nederlandstalige poëzie, maar dat is niet wat er in dit geval aan de hand is. Tenminste, dat denk ik, want een van de grootste criticasters, Joost Zwagerman, maakt in zijn nieuwe bundel Roeshoofd, ook nogal eens gebruik van het instrument. Blijkbaar gaat het om de manier waarop je rijmt en in welke context. Het is als met kapsels. De een gebruikt een kam om de haren keurig in het gelid over zijn schedel te plaveien, een ander zoekt zijn heil in een potje "Out of bed" van l'Oreal om er voor de leek uit te zien alsof hij niks aan zijn kapsel heeft gedaan. Een verkeerd gebruikte kam zou al het werk in een klap om zeep helpen.

Maar om een lang verhaal kort te maken: rijmen mag natuurlijk wel. En gelukkig maar, want er werd nogal wat afgerijmd in Festina Lente, op dinsdag 1 februari. De eerste dichteres, Tineke Slats, tegenwoordig weer wonend om de hoek van Festina, deed het soms zelfs in de titels van haar gedichten: 'Krukkig gelukkig'. Met haar karakteristieke hoge stem opende ze met de zin "In den beginne is er geen woord". Via "verlangen in G-groot" - "niets kan mij meer bekoren dan een artistieke kop" - kwam ze uit op haar slotzin: "als hij mijn ..(?) strelen kan / wil ik meteen aan die man." Rijm, ik zei het al. Maar grootdichterlijk voorgedragen, bombastisch bijna, en dat wil op het podium nog wel eens werken. "Ja, ja, jaaah, geweldig!", riep een jonge dronken jongen uit het publiek, terwijl deze vrouw die zijn moeder had kunnen zijn, haar blaadjes weer opborg in haar tas.

De tweede dichter, Pom Wolff, is een oude bekende. Over het algemeen valt er bij Pom weinig rijm te ontdekken, maar ook hem kon ik er deze avond toch af en toe op betrappen. Onder het motto "niets is me liever dan eenvoudig mooi", liet hij "bruidsboeket" volgen door "sigaret" in het gedicht 'Wereld', dat startte met de zin "we hebben oorlog gesloten". Wat Pom voor mij op het podium zo'n goeie dichter maakt is zijn pregnante manier van voordragen. Elke zin wordt uitgesproken alsof het de ultieme verklaring betreft voor hoe het allemaal zo vreselijk is geworden in deze wereld, terwijl je dat laatste sowieso al niet eens in de smiezen had. Het is iemand die je zenuwen blootlegt om vervolgens op vaderlijke toon te zeggen die pijn jouw pijn moet zijn en dat er geen zalf bestaat. Maar het zit vooral ook in zijn teksten. Elke cognitieve dissonantie die je voor jezelf op prettig hypocriete wijze had opgeheven, wordt je ingewreven, of zoals medejurylid Simon Vinkenoog het kernachtig zei: "hij verschaft illusieloos inzicht in de werkelijkheid". Pom besloot zijn eerste ronde met "Fuck you all my friends, zo moet het einde zijn. Zo moet het einde zijn."

De voordracht van de derde kandidaat, Bram Terra, heb ik voor een groot gedeelte moeten missen. Ik had me in een opwelling dwars door het publiek heen naar buiten geworsteld. Want ik zag dat een van de toeschouwers was "out" gegaan . Tineke Slats, haar aanverwanten en ik probeerden haar op te lappen op het bankje voor het café, naast het standbeeld van Pessoa. Het betrof een 84-jarige vrouw. Ze kwam af en toe bij, maar viel telkens weer weg. Ze wist haar naam te vertellen, maar klaagde over ademnood en halverwege het debiteren van haar adres zakte ze weer in. Bewusteloos. Haar handen waren zo koud als het standbeeld. Ik worstelde me weer naar binnen, bestelde een glas water aan de bar en deed verhaal aan de beste barkeeper ter wereld, Jorrit, die daarop een ambulance bestelde.

Ondertussen was de poëzie doorgegaan. Vanaf de oude vertrouwde Festinavloer hoorde ik een jonge jongen, Bram, nog net een gedicht voordragen waarin het woord "zuurstofgebrek" voorkwam. In een taaltechnisch verzorgde zin. Dat is alles wat ik erover kan zeggen.
Het optreden van Simone de Jong heb ik wel weer helemaal kunnen meemaken. Een meisje/vrouw van een jaar of 35 à 40, fan van Judith Hertzberg en de kersverse Kidideva Joke van Leeuwen, maar vooral van het rijm. "Het grijs van zijn jas trekt mij aan / en doet mij hem zien staan" uit het gedicht 'de man met de bril'. Of: "Een ballon die ik verzon / zo hoog bij de zon" en "ik blijf een mier / bij de rivier" uit het gedicht 'O mier!'. Goedbedoeld, dat wel, maar "het blijft een carrousel / waarin wij gaan" en Simone werd in de hoofden van de jury al snel door de draaideur afgeserveerd.

In de daarop volgende pauze werd de 84-jarige mevrouw ingepakt op een brancard de ambulance in getild en was er voor de overige bezoekers gelegenheid om cappuccino's te bestellen, iets wat tijdens de voordrachten niet mag, omdat het gorgelende geluid van de koffiemachine te veel afleidt van de poëzie. Wat zal ik erover zeggen? Voorlopig maar even niets. Laat ik met het verslag ook maar gewoon doordenderen.

Als eerste in het tweede blokje trad Charlotte Huiskamp aan. Ze is 24, studeert film en TV-wetenschappen en werkt in de Engelenbak en stond voor de eerste keer op het podium, vertelde Roos, de presentatrice. Ze kwam met het motto "Was ik maar profvoetballer geworden, dan kon ik met de jongens douchen." Ik hield mijn hart vast. En inderdaad, tot poëzie kwam het niet echt. Ze opende met het gedicht 'Gelukkig thuis', dat eindigde met de zin "vanavond oefenwedstrijd / Thuis gelukkig". Daarna vroeg ze aan het publiek: "Ken je dat moment, dat je je kamer op wilt ruimen?" Het bleek de eerste zin te zijn van haar tweede gedicht. Prozapoëzie kortom, uitmondend in "elk langgeschreven briefje dat ik schrijf of later krijg, ruimt lekker op." Geen rijm, wel het "out-of bed"-idee, maar dan zonder dat er uren in zijn gestoken. Gewoon elke zin die in je opkomt op papier kwakken en dat een gedicht noemen. Nou is het zo dat elke dichter(es) een narcistische fase schijnt door te moeten maken, maar dat hoef je natuurlijk niet breeduit op het podium te etaleren.

Of je moet het doen zoals Jelle Kruk. De zesde dichter van de avond was zo mogelijk nog slechter, maar wel een stuk echter of in ieder geval oprechter. Meubelstoffeerder Jelle kwam helemaal uit Meppel en beloofde "biografische", tragikomische gedichten te gaan voordragen. En tragikomisch was hij, maar misschien niet helemaal zoals hij bedoeld had. Dapper debiteerde hij zijn eerste zin: "In het o zo verre Noorden...", waarna hij zijn hand als een schelp achter zijn oor zette, het publiek in keek en vroeg : "Welke oorden?" Even dacht ik dat het ironisch bedoeld was, een grap, poëtisch cabaret en dat ie misschien zelfs wel helemaal niet uit Drente kwam.

Hans Teeuwen kan ook dat soort typetjes neerzetten. Denk aan Guido uit zijn eerste programma 'Hard en zielig'. Ik kon een grinnik niet onderdrukken. Jelle ging ondertussen onverstoorbaar voort: "Ridder Jelle ging op zoek naar Ellen". En niet veel later bleek "Snelle Jelle", zoals hij zichzelf toen begon te noemen, gewoon een sprookje te vertellen. Niks geen cabaret. Dit was bloedserieus. Gemeend. Of anders toch wel heel erg briljant gespeeld. "Daar ging Ridder Jelle op zijn witte peerd / Nee, ik zeg het verkeerd / hij ging niet op zijn peerd / zijn vervoer is gemechaniseerd!" Nog iets verderop: "13 engelen kwamen op mijn afgedaald / Bent u verdwaald?" De presentatrice begon dat laatste op een gegeven ogenblik serieus te vrezen, want zijn drie minuten waren al ruimschoots voorbij en "Ridder Jelle was nog steeds op zoek naar Ellen". Ze maande hem om nu toch echt eens af te gaan ronden. "Maar, maar, maar... het is een open eind!" riep Jelle verontwaardigd naar haar terug, om daarna nog even snel een van zijn legendarische zinnen uit te spreken: "Wat ligt daar in het plantsoen? Het is een glazen schoen!" Zeldzaam.

Na Snelle Jelle was het de beurt aan Martijn Delis, een 28-jarige organisator van dance-evenementen en verzorger van geestelijk gehandicapten, om ons te vergasten op wat rijmdwang. Maar daar waar Jelle kwam met rijmwoorden die normaliter alleen door kinderen worden gevonden, zag je bij Martijn het volgende rijmwoord meestal al van verre aankomen. De taal was over het algemeen verzorgd, net als de voordracht, maar erg spannend was het allemaal niet. Hij begon voor zichzelf nog hoopvol met "Ogen stralend van verwondering om de dingen om haar heen" , maar eindigde met "Waarom ben ik weggegaan / waarom heb ik godverdomme mijn pils zo lang laten staan". Ach ja.

Tijd voor een pauze
Wat er na die pauze gebeurde is een ander verhaal. In mijn vorige verslag deed ik een oproep: "waar zijn jullie? Waar zijn de nieuwe Tjitskes, Erik Jannen, Eusen, Maarten Dassen en Bernards?" En zowaar: het lijkt te hebben geholpen. Als eerste dichter in het derde blokje stond daar plotseling Krijn Peter Hesselink. 28 jaar, afkomstig uit Alphen aan de Rijn en voordragend uit het hoofd. Ook Krijn-Peter was een rijmer, maar dan eentje van de hogere orde. Met een weergaloos gevoel voor timing bracht hij de eerste twee gedichten gedeelte van zijn vijfluik 'Dit blootgewoelde land', waarin o.a. de volgende strofe te beluisteren viel: "Dus luister niet mijn lief naar wat mijn lippen debiteren / het pad ligt op het tafelblad je vinger weet de weg / naar waar de mijne zich al lang de aftocht heeft ontzegd / en op een vochtig viltje wacht tot jij /zijn roffel onderbreekt om hem een andere maat te leren". Het kwam er allemaal dermate vloeiend uit, dat ik me afvroeg of deze jongen überhaupt nog wel iets te leren viel over 'andere maten'. Hier stond een koning van het ritme, die Festina van voor tot achter betoverde. Weliswaar met rijm, maar zonder dat het al te veel opviel. Rijm gebruikt als middel, als toegevoegde waarde, niet als doel op zich. Als een beat, als een hartslag, met bezwering tot gevolg. Imponerend.

Na Krijn-Peter mocht diens 5 jaar jongere, maar bekendere broer Sieger Baljon het podium op. Sieger is van een iets ander slag dan Krijn-Peter. Daar waar Krijn-Peter zich houdt aan een strakke vorm, zoekt Sieger het experiment. Raaskalverzen noemt hij zijn gedichten zelf, maar ze zijn meer dan dat. Zoals de laatste tijd gebruikelijk begon hij met een klankdicht. Een nieuwe in dit geval: 'Stille tocht'. Het is wat mij betreft zijn beste tot nu toe; prachtige woordloze communicatie met het publiek en het oogstte dan ook direct applaus. Hij vervolgde met 'Stadsrand', ("Vernauw ik mijn blik, dan geloof ik het sprookje"), en eindigde met 'Techno', waarin de voor Sieger letterlijk en figuurlijk typerende zinsneden "met intense dansen / onregelmatige slagen". Bij Sieger denk je altijd aan een acrobaat, zowel in woord als mimiek en in overige fysiek. Hij geeft zich compleet op de planken, zoals anderen zich helemaal leeg kunnen dansen op housemuziek. Slotzin: "en lopen we de straat op / en zijn we nog slechts in huid gehuld."

Wie na de beide broers het podium op moet valt niet te benijden. De pechvogel heette in dit geval Roos Moesbergen en ze had ook nog eens niet al te beste poëzie meegebracht. "Surfen wil ik, op golven die glinsteren", was haar eerste zin (uit het gedicht "Zeeën van tijd"), en die zette de toon voor de rest van haar drie minuten. Het waren voornamelijk cliché's die de klok sloegen; "verdriet is een vijand" en "leven is zwemmen naar de overkant".

Ook de laatste dichter van de eerste ronde, de 32-jarige Amsterdammer Bri Fatiaenni viel op weinig interessante zinnen te betrappen, wel op geforceerde woordspelingen: "zo rein stroomt de Rijn". Grote woorden, weinig wol: "vriendschap draagt wreedheid in zich" en "de wind is nergens zo veelzeggender" en uiteraard kwam ook het clichéwoord aller clichéwoorden weer voorbij: "de einder".
Einde eerste ronde en tijd voor de jury, bestaande uit de dichters Simon Vinkenoog, Erik-Jan Harmens en mijzelf, om uit dit elftal een vijftal te selecteren voor de tweede ronde. Het werden Tineke Slats, Pom Wolff, Bram Terra, Sieger Baljon en Krijn-Peter Hesselink en in die volgorde traden zij vervolgens op.

Tineke verwerkte de namen en flarden van songteksten van Jimi Hendrix, Jim Morisson en Bob Marley in haar eerste gedicht, maar deed dat integraal en nogal 1-dimensionaal. Iets verderop was ze beter op dreef, "ik wou dat jij mijn cello was / bang voor de eerste violen", maar ze moest het afleggen tegen een ontketende Pom Wolff die begon met "Er waren dagen bij die zusjes werden", vervolgde met het lichtere 'Hema'-gedicht; "met wie wil ik in de Hema lopen / wie wil ik ruiken rek na rek" dat eindigde met "en watjes om te deppen / als ik straks je strot door snijdt." Hij werd beloond met gelach, maar ik was zelf meer gecharmeerd van zijn slotreeks; "de vrouw die je net een hand gaf / dat was je moeder" en zijn evergreens "Jij bent erg mens", waaruit de in het circuit wereldberoemde slotzin "Jij bent echt erg!" en "Hakmes", waarbij een in het publiek aanwezige Lucas Laherto Hirsch van afstand de tweede stem verzorgde.

Bram Terra bleek gelukkig niet voor niets geselecteerd, hij zorgde er met zijn gedicht over Groningen Centraal voor dat Edith, Simons partner, een traantje moest wegpinken. Er mag nog wat aan geschaafd worden, maar de jonge jongen is absoluut een talent voor de toekomst. Sieger begon wederom met een klankgedicht, vervolgde met 'Situatie' waarin zinnen als "er hangt speelgoed uit het raam te klooien" en "ik weet niet waar mijn zak of waar mijn doekjes schuilen" en ging helemaal los bij zijn slotgedicht 'Exit gisteren', waarbij hij op een gegeven moment kronkelend gebruik maakte van de reling van de balustrade op het podium.
Krijn-Peter liet zich er niet door uit het veld slaan en vervolgde zijn vijfluik. Het tweede gedeelte kwam op mij iets archaïscher over dan het eerste, maar was daarom niet minder effectief. Opnieuw werd Festina van voor tot achter compleet gehypnotiseerd en na afloop van zijn voordracht scandeerde iemand: "Finale, finale!" Maar voordat die zou plaatsvinden eerst even tijd voor bezinning.

De vader van Festina-eigenaar Felix von Schmid was eerder die week plotseling overleden en Erik-Jan Harmens was gevraagd een van zijn gedichten voor te dragen om bij dit drama stil te staan. Hij droeg voor de gelegenheid wat ingetogener voor dan we van hem zijn gewend zijn, maar het was goed om Erik-Jan, die nog niet zo heel lang geleden zijn eigen vader verloor, te horen spreken.
Daarna dan toch de finale, die ging tussen Pom en Krijn-Peter. Het werd een schitterende apotheose. Pom wist zijn hoge niveau vast te houden en liet zien niet alleen over de zwarte kant van het bestaan te kunnen dichten. Een prettige balans tussen het positieve en het negatieve met zinnen als "liefde maakt zelfs water stil", "de maan staat hierbuiten" waarna hij eindigde met wederom een van zijn beroemde oneliners: "Misschien is 'ja' wel het mooiste woord."

Krijn-Peter had zijn vijfluik inmiddels afgerond en kwam met een iets ander soort gedicht op de proppen. Een minder strakke vorm, maar minstens zo ritmisch als wat hij in de eerste twee ronden had gedebiteerd. En geniaal gebracht. Het gedicht 'Knokploeg'. U kunt het zodadelijk onder dit verslag nalezen. Betekent dit dat Krijn-Peter de uiteindelijke winnaar werd? Ja en nee. Krijn won met overmacht de publieksprijs, maar de prijs van de jury ging toch naar Pom Wolff. Zijn "aangename hardvochtigheid" (citaat van Erik-Jan Harmens) won het nipt van de weergaloze controle over de woorden van Krijn Peter Hesselink. Beiden zijn giganten, van beiden vind u hieronder poëzie. Rest mij om nog te vermelden dat het met de 84-jarige vrouw weer helemaal goed is gekomen. Het was een fantastische avond.
Sven Ariaans

Er waren dagen bij
die zusjes werden
hoeveel februari het was
maakte niet uit
er hoorden woorden bij
die dagen
die niet hoefden gezegd
En dagen
die nog dieper gingen
dan chomsky in de taal
dieper dan we later
durfden toe te geven
Pom Wolff

knokploeg
Voor een goed begrip van het hiernavolgende gedicht moet U weten dat ik Krijn Peter heet en dat het mij jarenlang een raadsel is geweest waarom mijn ouders mij in godesnaam met die naam hadden opgezadeld tot ik op een dag ik moet een jaar of acht zijn geweest met geschiedenisles vernam dat er ten tijde van de Tweede Wereldoorlog knokploegen hadden bestaan en dat die heldhaftige daden hadden verricht en dat die zich net zoals mijn voornaam tot KP lieten afkorten. Toen begreep het iele dromerige jongetje dat ik toen nog was waarom ik Krijn Peter heette. Ik was een knokploeg.

Er staat een paard op de gang
er vaart een kille joligheid mijn botten binnen
er staren jokers door de ramen door de spiegels door het behang
ze kunnen mijn rug op.
Er suizen tranen langs mijn wang
afgrijzen groeit er wordt gestoeid dat het een lust heeft
de biggels juichen en verstuiven en gaan oeverloos hun gang
ze doen maar raak.
Ik ben de blauwgeverfde hond met heel zijn trouweloze kudde ik ben de knokploeg
ik ben de uitgedroogde krokodil die aan wildvreemden om een slok vroeg
ik ben de vreemde eend die heel zijn leven al de ezelsoren opjoeg
of verrot sloeg
ik ben de knokploeg.
Er gaat een onlust naar de maan
er kruipt en sluipt een slinks verlangen naar mijn lendenen
er tolt een meisje door mijn kamer ze trekt mijn laatste kleren aan
dan ga ik wel naakt.
Er rolt een schedel over straat
er ruist een vuig gerucht van mond tot mond de stad door
er staat een stoet vol grove zielen bij de deur voor mij paraat
ik sluit mij aan.
Ik ben de klauw ik ben de wond ik ben de grond het graf de stront ik ben de knokploeg
ik ben de mond en wat zij uitspuugt ik ben de vleesgeworden vloek o hoort mijn lokroep
ik ben de meningsloze massa alle eenlingen zijn zoek gij die mijn wrok droeg
die mij verrot sloegkom bij de knokploeg.
Er dwaalt een dichter door het pand
er fladderen woeste kreten dartel langs mijn lippen
ik vergaar de moegestreden strijders met een zuchtje in mijn hand
en jij jij danst maar.
Mijn laatst glas vervalt tot zand
er trekken barsten door mijn masker tot het stukvalt
mijn laatste dag breekt aan de wereld staat de wereld staat in brand
en jij jij lacht maar.
Ik ben de flauwgevallen deerne eerste hulp bij laatste kans ik slaak een sloksloep
o verlos mij van mijn woorden van dit huis vol van gestoorden van deze flopvloek
ik ben de man van tien miljoen in iedere porie schuilt een story puilt een brok troep
dus noem mij geen knokploeg
noem mij geen knokploeg.
Er zakt een barkruk in spagaat
en al en ieder zakt haar volgzaam achterna
valt weg voor jou jij vrouw wier blik de onmacht uit mijn armen slaat
en zowaar ik sta nog.
Er klatert zonlicht door het raam
het omspoelt jouw lach die op mij afkomt vrolijk schatert
en verwatert in de stilte stuitert sprakeloos mijn naam
ik ben de knokploeg.

Krijn Peter Hesselink