Amsterdam zaterdag 18 augustus 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG











Gommers wint Grand Finale van de 8ste Poëzieslag

'De uiteindelijke winnaar is Jérôme Gommers, want hij is niemands epigoon.' Er klinkt een daverend applaus als hij het podium oploopt.


Verslag van de grote finale seizoen 2005-2006

Klik aub hier voor een Quicktime dia impressie van de finale


‘Nu was er geen schepsel waar ik een groter hekel aan had dan dichters en bezetenen: ik kon ze niet zien of luchten en ik dacht o wee, ik ben een dichter of een bezetene (...) Ik zal hoog de berg opklimmen en mij eraf storten: dan heb ik rust.’ Zo sprak Mohammed de profeet overtuigd na zijn eerste openbaring. (bron: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed).Het is 6 juni en de slag der slagen, de grand finale van de Festina Poëzieslag die eerder gewonnen werd door mensen als Tjitske Jansen, Eus Kuiper, Sven Ariaans en ErikJan Harmens is in aantocht.

Maar liefst veertien dichters dralen ongedurig voor de brug van waaraf zij straks hun poëzie zullen laten klinken. Vanavond zal blijken wie de beste dichter van het afgelopen poëziejaar was.We zien Marlies Somers aan de bar zitten, terwijl Cornellie een stoeltje naast de deur heeft neergezet. Babak en Annemiek bekijken vanuit de menigte de brug van waaraf weldra hun gedichten over de Looiersgracht zullen schallen. We zien Jérôme omringd door vrienden, Martijn ten Bakker samen met zijn ouders. We zien Pauline Pisa en Bernard Wesseling, een doodkalme Pom Wolff. Ze zijn er bijna allemaal, de dichters en wildcardhouders die eerder dit jaar op een eerste dinsdag van de maand een zege behaalde die gepaard ging met bewondering en een daverend applaus. Alleen Kees van Houten en David Boelee ontbreken nog, maar Sander Meij (vanavond in dubbelfunctie van presentator en wildcardhouder) heeft er alle vertrouwen in dat zij zich nog wel zullen aandienen. ‘Boelee heeft al gebeld,’ hij is onderweg en als Kees van Houten het laat afweten redden we het ook wel,’ later zullen dit profetische woorden blijken te zijn.

In deze achtste poëziefinale bijt Bernard Wesseling het spits af. Eerder dit jaar maakte hij zijn poëziedebuut met de bundel Focus bij uitgeverij Nieuw Amsterdam. Wesseling is vertrouwd met de brug, hij stond hier al ettelijke malen en zijn voordracht dwingt respect af, vooral omdat hij ons uitlegt ‘voor zijn slechte ik op de vlucht te zijn’ hij hoeft niemand uit te leggen wat voor barre tocht dat is.

Wesseling heeft dan misschien een dwingende voordacht, Babak, kandidaat nummero twee, kan zingen. En alhoewel Jack en Justina eigenlijk tussendoor met jazzy tunes de avond opluisteren, houdt dit Babak niet tegen. Hij kijkt ernstig als hij zegt: Mijn bestaan hangt aan een stem.’ Je hoopt dan maar dat hij nooit wat aan zijn stembanden zal krijgen. ‘Ik heb heimwee naar een toekomst waarin ik kan zien dat ik leef...’ Babak wordt door Sander aangetikt, het is tijd om te stoppen.

Annemieke Gerrits, miss december, schuift achter de microfoon. Zij neemt zo’n lange stilte alvorens te beginnen dat je je afvraagt of je misschien iets voor jezelf moet zoeken om te doen. Dit blijkt niet het geval. Ze heft aan: ‘Ik ben op klompen begonnen met lopen.’ Ze praat nogal lijdzaam, maar het leven is natuurlijk ook geen pretje. Toch, als ze zegt: ‘Een potloodje dat goed schrijft is meestal klein,’ wil je haar bijna vastpakken, want ze klinkt alsof iemand dat potloodje van haar afgepakt heeft en zo in de haard heeft gegooid. Het machtige van potloden is gelukkig dat je ze door midden kunt breken, slijpen en dat ze dan in aantal toegenomen en in formaat afgenomen zijn. Zo is er voor alles met een beetje hard nadenken een oplossing te vinden.

Paulina Pisa neemt het stokje over van Gerrits en geeft er met haar groene cowboylaarzen de sporen aan. Uit een zwart Molskinboekje leest ze op: De vrouwtjes krijgen klapjes op hun billetjes en schieten schichtig weg.’ Wie in elk geval in de toekomst weg is, is Pom Wolff. Hij staat niet voor de eerste keer in de finale maar geeft aan dat het voor hem de laatste keer zal zijn. Hij begint met een stamboom aan te halen die niet in een mormoonse bijbel zou misstaan. ‘Niets is me liever dan eenvoudig mooi,’ zegt hij in een van zijn gedichten, en uiteindelijk: ‘Het begin en het einde en nooit was er meer.’ Wolff zien we niet meer terug, en we waren niet bij het begin, maar het einde was zeker de moeite waard, het maakt een verlangen los naar meer, maar dat is dus ijdele hoop voor het Festinapubliek. Er is die passage uit Het leven van Mohammed waarin Mohammed zijn vrouw Chadiedja vertelt over zijn eerste openbaring: ‘Ik zei tegen haar: ‘O wee, ik ben dichter of bezetene!’ Maar zij zei: ‘Daarvoor behoede je God, Aboe Kasim. Dat zou God je niet aandoen, omdat hij weet hoe eerlijk en betrouwbaar je bent en wat een goed karakter je hebt en dat je familiebanden eerbiedigt.’‘Als ik dood ben wil je me dan niet die trui aantrekken,’ vraagt Marlies Somers in haar gedicht. Het is een even verdrietige als veilige vraag. ‘Jouw hart eet zo graag zon,’ is ook een van haar uitspraken. Het klinkt misschien als een simpele zin, toch is er dat vermoeden dat het niet zo makkelijk ontstaat als de volgende kandidaat, Cornellie, ons wil doen geloven: ‘Doe je best en dan komt het er vanzelf uit.’ Zij is ook van de zin: Daar heb ik consideratie met alliteratie.’

Consideratie is een prachtig gegeven en we moeten dat een beetje hebben met Martijn ten Bakker die zichzelf een spoelhoer noemt, hij wast glaasjes in de Melkweg: ‘Waar een wil is, is een TomTom.’ ‘Of iemand me eventjes uit wilde zetten.’ ‘Dan lig ik hier als een hoer met statiegeld.’ Nu hoor ik je hartslag door mijn mobiele telefoon.’ ‘Lege plekken vindt je moeilijk terug.’ Het zijn allemaal zinnen van Ten Bakker die zich in het onderbewustzijn vastbijten.De beurt is aan David Boelee, die zich voor de gelegenheid heeft verkleed als Kees de Jongen en in zwembadpas de brug opgelopen komt. Hij vertelt dat realiteit een fantasie is en herinnert ons er aan dat in de filosofie gesproken wordt van een tijd voor en een tijd na Kant.

Net zoals er in Festina een tijd van voor Jérôme Gommers  en een tijd van na Jérôme Gommers is. Gommers kreeg een wildcard tijdens de laatst gehouden slag en net als tijdens die slag neemt hij weer de rust voor zijn gedichten die zo velen ontberen. Door het ontbreken van de poeha ontstaat er wel een beetje dodenherdenkingsfeer, maar herdenken is lang niet altijd slecht of vervelend om te doen.

Sander Meij sluit het rijtje af. Voor de gelegenheid kondigt Roos hem aan. Ze draagt haar kersverse zoon in een doek om haar nek die onverstoorbaar door alle poëzie heen slaapt, zelfs als Meij het enkele minuten later over de nazi Walt Disney heeft. De voordracht van Meij galmt vanaf de brug zo de looiersstraat in, de Elandsgracht over en het zal niemand verbazen als op de lauriergracht argeloze passanten even stilstaan en luisteren naar Meij als die uit roept ‘Daaaaaarrrrrr staat Krelisss......’ het is een zin uit zijn gedicht Bataviastad en de stemming wordt uitgelaten, want hij weet het publiek moeiteloos te bespelen. Is het genoeg voor de grote prijs, dat is de vraag.

Even later blijkt dat het in elk geval genoeg is voor de laatste ronde die dit jaar plaats heeft tussen drie mensen: Somers, wildcardhouder Gommers en wildcardhouder Meij dus. Alle drie dragen ze nog vijf minuten voor, alle drie staan ze vol furore en verdiend op de brug.

Juryrapport:

Bloednerveus staan de dichters in het publiek als ErikJan Harmens dodelijk kalm opstaat en naar de ‘mike’ loopt, het juryrapport in zijn hand een vaderlijke trek om zijn mond:

‘Dit was de avond van de dichters die zichzelf al bij voorbaat uitselecteerden, zoals Pom Wolff deed, vanavond was zijn afscheid. Dit was ook de avond waarin dichters opkwamen als boksers én dit was de avond van de vormverscheidenheid.’ Harmens laat een kleine stilte vallen, de dichters weten: nu komt het. Nu gaat hij iets over ons als individuen zeggen, hoera!

‘Bernard is een enorm talent, en iedereen moet verplicht Focus kopen. Bernard maakt Temp Perdu poëzie, maar we kenden de gedichten en misten daardoor de verassing. Babak is de dichter van de lyriek en dan soms over het randje. Annemiek Gerrits, ook zeker een talent, lijkt in haar dichten nog te veel op Lindner.’ Harmens kijkt even rond: ‘Pauline Pisa, je beelden zijn sterk, maar je voordracht is misschien af en toe iets te aangezet. Cornellie kom volgend jaar terug, je schrijft krankzinnige poëzie, maar het moet nog scherper en nog kritischer.’ Zo gaat Harmens ze een voor een af. Ten Bakker  moet uitkijken voor het Van Dik Hout effect, er moet wat meer bij. Boelee wordt geprezen om zijn hyperpuike voordracht, maar krijgt jammer genoeg een onvoldoende voor zijn teksten.

Dan is het zo ver: hij is bij de uiteindelijke drie finalisten van dit jaar aangekomen:
‘Sander Meij, je bent een parkeergarageromanticus, een barbaar, maar je moet nog wat meer ruimte aan je lezer overlaten. Je krijgt in elk geval de publieksprijs!’ Meij loopt onder luid gejoel het podium op en neemt met brede glimlach de twee flessen wij  in ontvangst.
Marlies Somers, je laat het gevoel toe. Je gebruikt grote woorden en dat tekent je lef, pas op met de stemmetjes, je staat er al helemaal! De uiteindelijke winnaar is Jérôme Gommers, want hij is niemands epigoon.’ Er klinkt een daverend applaus als hij het podium oploopt. Harmens en Gommers schudden elkaar de hand: twee beheerste mannen vieren feestje.

De fakkels brandden inmiddels op de brug, de nacht is gevallen als we nog een keer luisteren naar Gommers. En natuurlijk is het verschrikkelijk om dichter te zijn, of bezetene, maar als het nou eenmaal in je zit, kun je er maar beter anderen een plezier mee doen, wat dat betreft werkt het net als profeetschap: even ben je een roepende in de woestijn, maar al snel staan mensen ademloos luisteren naar je voordracht, zoals op 6 juni iedereen luistert als Gommers zijn laatste gedicht laat klinken:


Als geslagen. Alsof iemand mij met de vlakke hand in het gelaat –
Het licht tintelde. Mijn ogen schitterden. Het was pure winst.

En Péts weer! Zo maar, nergens om, ik had er geen enkel recht op.
Alsof iemand een kletsnatte handdoek in mijn ring wierp – en mij alleen liet…

Toen wist ik: Gene zijde moest verbrijzeld in mij. O ja, en dat ging
gebeuren ook. Daar kwam het al, het hield geen halt, want het had geen weet,

kon of wilde geen weet hebben van mijn schrapzetting, die werd omgeslagen
als een pagina, dat barse hakkenwerk dat niet dan leidde tot mijn lancering

(dat was geen vlucht, dat was geen ploeg, wat was het?)
Oh en hoe mijn ellebogen als molsklauwen werden aangewend en wij ons

een weg vraten door de averechtse stapels, tot molm verwordend achter ons.
Want het is: nu het schutblad doorweekt, nu je nagels met rouwranden –

Want het zijn je handen geen huis, het is geen teken volledig (ja hèhè), het is
je mond kortstondig – en lauw (tussen warm en koud). En de zwarte aarde,

en het aas, en het speeksel, en de larven, en de meetkunde, en de
beden spreken ieder naar eigen aard, als een stukgeslagen parabel.

Klik aub hier voor een Quicktime dia impressie van de finale