Amsterdam dinsdag 16 januari 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








Interview met de winnaar van de Grand Finale: Jérôme Gommers

Doe je vaak mee aan dit soort poëzieslagen?
Dit was de eerste keer.

Wanneer ben je begonnen met dichten?
Ik heb tussen mijn 17de en 25ste pogingen gedaan tot poëzie en ben er toen mee opgehouden. Ongeveer vijf jaar geleden besloot  ik eens te kijken wat ik schrijven zou als ik gedichten moest schrijven. Toen begon het zoetjes aan te lukken.

Waar haal je  je inspiratie vandaan?
Soms simpelweg uit het daglicht. Als ik goed heb geslapen en geen kater heb en niet bedolven wordt onder verplichtingen, kan alles een inspiratie of aanleiding zijn. Losse woorden ook. 'Ontgronding' bijvoorbeeld, of 'indaling'. Poëzie van anderen soms ook, maar daar schuilt altijd het gevaar van nadoen in. Ik heb overigens niets tegen nadoen.

Waarom dicht je?
Omdat het aangenaam is om een bepaald soort zinnen te maken. Om de sjablonen in hoofd en hart te doorbreken. Om aan het woord te zijn. Om zout in mijn (en andermans?) wonden te wrijven. Om een verdubbeling teweeg te brengen, die verandering mogelijk maakt.

Wie zijn jouw voorbeelden in de poëzie?
Grote liefdes zijn of zijn geweest: Bloem, Nijhoff, Achterberg, Van Ostaijen, Kouwenaar, Ouwens, Rimbaud, Cabral de Melo Neto, Pessoa, Mark Strand, T.S. Eliot. Orakelaars én preciezen.

Je kwam met een wildcard in de finale en ging weg metde hoofdprijs, hoe voelt dat?
Heel fijn... Ik wil wel even zeggen dat ik de Poëzieslag een zeer sympathiek podium vind. Vooral de regel dat absolute beginners voorrang krijgen, moet gehandhaafd blijven.

Had je verwacht te winnen?
Nee. Ja. Nee. Ik dacht dat er zeer hartstochtelijk geslamd zou worden en dat mijn gedichten daar wat bleek bij zouden afsteken. Maar er was eigenlijk niet zo veel stemverheffing, en zó bleek zijn mijn gedichten nou ook weer niet.

Wat vind je het belangrijkste aan jouw eigen poëzie?
De retoriek mag niet hol worden, moet gebonden zijn binnen het gedicht. De zinnen moeten een moedwillige vorm hebben, zich als het ware van zichzelf bewust zijn – alleen dan kan hun op zich willekeurige vorm (en inhoud) een zekere noodzakelijkheid krijgen. Zodat de verleiering die je met je woorden hebt ingezet toch aantrekkelijk of overtuigend wordt, al steven je af op lagerwal.