Amsterdam vrijdag 14 december 2018
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








2 gedichten van de winnaar grande finale

En dáárom... daarom riep ik alles een halt toe en werd ik een eindpunt. Maar
gadverdamme, wat een walgelijke, door zijn hoeven gezakte en blubberige remise

was dat! Bij lange na niet dat bekken waarin de fluïde monding van de rivier nog
rondging. Daar was de klad in gekomen! En daarom: Stadia op de Levensweg!

(Marmeren beeld rent hijgend van sokkel naar sokkel om aldaar zijn statiën aan te
prijzen als volstand. Naambordje eronder: eerste gezwel, tweede vriendin, derde auto.)

En zo regen de voor alles een eerste keren zich aaneen tot een lint dat sneed. Oh
doornenkroon niemand tot troost – en zo glad ook, eerder een gelegenheidsdracht.

Mee-eters zich volvretend tot unvollendete. Feest van onwetend. Aanwezig. Stop-
woorden onderweg. Wuivingen. Vaandels. Patatje oorlog. Rozenkrans ontvallen,

de kralen dansen levensgroot in andermans verhalen. Oooh maar langzaam vult
zich de uiteindelijke vracht, het to and fro, de slag van de slinger verweert de grijns

op je gezicht, opent je gebalde vuist, rijgt (ja, rijgt!) een heel nieuw soort knopen
tot  karwats, stanst een kadans over de bielzen en zet je, kortom, met bult en al,

weer helemaal terug op de rails...

 

 

 

 

 

De dag wachtte op mijn Jawoord. Het lag als een aanstonds in de mond. O ja…
het water van een grote dorst was mij zeer nabij… Met trillende lippen upheven

in het geopende raam gerichti stond naar de ontzag’lijke, tot gruis geslagen beker
van ochtends kont… Daar, in de tuinen, was het schitteren, het vlimmeren, de volse straid

(de krolse strijd), die zich tot in de punnikste, precieste uithoek zinderdingt, zonderlingt –
in laaistand, kalmbrand, de ruste koele hand der mathématique (O Terreur, Terroir…)

En alles zonder meer en in de tussentijd. Godlamachtig onder mijn snelbinders dus
(geplette halfje wit met pindakaas en zoete smeer). Op weg naar de Sluiterplas,

de zomerdag, waar het uitspansel lag van de Vrijheidswijk, het voorste vlees in nu-staat,
opmaat, volgdwang – dat had geen eeuwigheidswaarde, dat kon niet blijven, te nat,

te zacht, te veel etcetera. Maar: puistjongen op paralauwe puch, latgast naast en onhandig
op-over, als een wandelende tak, zijn volvette vriendin (uitgestrekt op het gras als een

mediterrane provincie), en daar langs de water- lees vloedlijn vierkante vader met
plakkaten haar en een dochter zo efemeer als een boodschappentasje aan de hand.

Ik wilde maar zeggen: het drinken was alom. En ik kokte en ik brommer en ik zwom.